zaterdag 28 april 2012

Welkom bij de columns van Rob Vlasblom

Rob Vlasblom, bekend voormalig galeriehouder te Arnhem, zingt o.a. bij het Arnhemse koor Xing o.l.v. Elke Jansen. Vrijwel iedere week verschijnt na de repetitiedag per e-mail een column van Rob.
Deze columns zijn zozeer de moeite waard (Rob is ooit columnist geweest bij een bekend landelijk dagblad, en schreef veel voor diverse tijdschriften en boeken) dat Elke heeft voorgesteld ze te verzamelen en bereikbaar te maken vanuit de weblog van het koor Xing.

Zo gezegd, zo gedaan: hieronder vindt je keurig op datum de columns van Robs hand.

Rob tijdens een column/performance (we kennen die nog van Johny de Selfkick in de zestiger jaren) omringd door cheerleaders.

Terug naar website van Xing.

donderdag 5 april 2012

EK VOETBAL: CONFECTIEKEURSLIJF IN ORANJE

Herinneringen aan een betere voetbalwereld

Het naderende Europees Kampioenschap Voetbal werpt zijn schaduw al vooruit.
Bij mede-organisator Oekraïne wemelt het van de mazelen en hepatitis A, melden epidemiologen. Wie, zoals ik, voor 1976 geboren is en dus niet ingeënt en nog nooit de mazelen heeft gehad is het devies: vaccinatie. Voor mij een reden om ‘onze jongens’ (van na 1976?) niet op te zoeken in het Oekräiense Charkov, waarheen zij zijn verbannen.



Ik houd het kind in mij graag levend. Dus blijf ik ver weg van zo’n land van kinderziekten, waar ‘we’ met Portugezen, Denen en Duitsers gaan uitvechten wie vervolgens, voor de ‘knock-outfase’, naar Polen moet. Polen, ook zoiets. Eeuwig gemangeld tussen Duitsers en Russen en nu ook geteisterd door Nederlanders met een meldpunt is het zeker beklagenswaardig, maar met alle respect: wat hebben we daar te zoeken behalve klussers voor ons tweede huis of kaskomkommerplukkers?

De lente kleurt in zijn kenmerkende tinten, maar buurtsuper Coöp voegt er al, vooruitlopend op het evenement dat zo dominante oranje aan toe. Voetballiefhebbers of zij die hier voor hun omgeving voor door willen gaan (in juni zullen alle kameleons oranje kleuren) hebben de speelschema’s van het EK al in hun agenda’s gezet of hoofd geprent.
Zo ook de voorzitter van een koor waar ik in zing. Er is een goede reden nog op te treden voor de zomer, met een paar andere koren (oude afspraak), maar ja, het EK voetbal hè. Hij gaat een geschikte datum uitzoeken, met volledige inachtneming van HET SCHEMA; speeltijden en locaties van onze jongens van Oranje kent hij uit het hoofd, zoals grote musicale geesten de partituur van de Mattheus Passion. Alles zal draaien om dat schema. Als onze jongens in Oost-Europa jagen op een goal zal er geen samenzang zijn, behalve op de tribunes waar in koor de engste ziekten worden bezongen en arrangementen vol verwensingen zullen klinken



Wonderlijk toch die overweging: wat weegt zwaarder, het EK voetbal (ver weg van hier) of het korenconcours?
Beide evenementen blijken met elkaar in een concurrentieslag te zijn verwikkeld en zelf ben ik hierdoor ook verschrikkelijk verdeeld. Niettemin slaat mijn innerlijke weegschaal (die schommelt wat af) duidelijk door naar ons gezamenlijk korenconcert.
Ik heb de voors en tegens van beide evenementen eens gewogen en geanalyseerd. Ooit zou ik zo’n voetbaltoernooi ook hebben verkozen boven een korenconcert. Maar dat was vroeger. Vroeger was misschien niet alles beter, maar wel het voetbal! De voetbalwereld was mooier en nog overzichtelijk. Het eerste EK voetbal in 1960 was een toernooi van slechts vier landen. Dat was genoeg Europa.

Let wel, ik ben ervaringsdeskundige (al een levenlang supporter van de Rotterdamse athletiek-, honkbal- en voetbalclub Sparta; nou, dan ben je een volhouder hoor). De nog levendige jeugdliefde voor deze prachtclub deel ik met Jules Deelder; samen waren wij getuige van een legendarische wedstrijd van ons Sparta op een zondag eind jaren vijftig, die hij en ik ons herinneren als de dag van gisteren. Hij schreef er al eens over in de Nieuwe Revue, ik al eerder een opstel voor school. Hoofdrolspelers: 1. de Amerikaanse seksbom en actrice Jayne Mansfield, die de aftrap zou verrichten; 2. de onlangs overleden, dus toch sterfelijke, Zwarte Panter, Frans de Munck, die het doel van DOS uit Utrecht verdedigde, een donkere charmeur met Zeeuwse, dus ook Spaanse, wortels, die ook wel eens in een film heeft gespeeld en zich hoe dan ook in zijn element voelde bij deze erotiserende toevoeging aan een potje voetbal op kasteel Spangen en 3. de stopperspil van Sparta, ‘ijzeren’ Rinus Terlouw, normaal een rots in de west-Rotterdamse branding, maar nu geheel ontregeld.



Met prachtige panterachtige snoekduiken plukte glamourboy Frans de Munck de Spartaanse kanonskogels uit de verste hoeken van zijn goal, om vervolgens als een haan de blik van de volop voluptueus gevormde la Mansfield te zoeken. Een sportman die niets dierlijks vreemd was.
Sparta viel volop aan maar wist de Zwarte Panter, die de wedstrijd van zijn leven kiepte, slechts één keer te passeren.
Rinus Terlouw, de doorgaans zo onpasseerbare Spartaanse stopperspil was die middag echter geen schim van de rots en stond voortdurend voor paal (observaties en toespelingen vanuit het typische voetbalpubliek duidden erop dat we dit geenszins spreekwoordelijk moeten opvatten).
Het was eigenlijk al duidelijk bij de aftrap. DOS-aanvoerder De Munck, door de wol geverfd, groeide van de kus die hij met flair van de lippen van Jayne (wie is ooit op het idee gekomen deze Amerikaanse filmster te vragen voor de aftrap van Sparta – DOS; toch Deelder nog eens naar vragen). Spartacaptain IJzeren Rinus daarentegen was duidelijk in totale verwarring door de ook hem toegebrachte seksbommenkus. Een bom die insloeg. Je zag de rots een totale metamorfose ondergaan.
De afloop was meteen voorspelbaar. Sparta- DOS: 1 – 7. DOS-spits Tony van der Linden – zes doelpunten - had geen kind aan ijzeren Rinus en vazallen.
Met het inlevingsvermogen van een - toen – tienjarige jongen leefde en leed ik mee met Rinus, maar verplaatste me tegelijk in de Zwarte Panter. Voor een middag was ik even Frans de Munck, dat sierlijke roofdier, die de sterren uit de hemel plukte om diepe indruk te maken op een uit de VS overgevlogen film-Venus.

Waarmee ik maar wil zeggen dat ik behalve met film ook iets met voetbal heb. En dat het dus heel wat is dat ik, als het erom gaat, kies voor een korenoptreden en het EK daarvoor, als het schema voor mij geen speelruimte biedt, aan mijn oranje neus voorbij laat gaan. Ja, ik heb wel karakter hoor.
Het punt is: wedstrijden als hierboven beschreven zie je niet meer. Alles wat er aan voetbalmatches nog valt te zien zal voor mij een slap aftreksel zijn van Sparta – DOS indertijd, zoals dat ook voor Deelder zal gelden (en Hugo Borst, ook Spartafan, die zie je niet voor niets nauwelijks nog op tv).

Zojuist las ik de ledencijfers van de KNVB en geregistreerde aantallen koorzangers. Een kunstredacteur van Dagblad De Gelderlander mailde me:
‘Zover ik heb kunnen nagaan, is zingen weliswaar de grootste hobby van Nederland, met 600.000 beoefenaars, maar niet groter dan voetbal – de KNVB heeft 1,25 miljoen leden. Voor zover ik weet heeft het onderzoek naar de grootste hobby van Nederland “sport” niet meegenomen, omdat de onderzoekers onderscheid maken tussen hobby en sport.’

Zegt dat niet genoeg? Met een hobby heeft zo’n EK voetbal natuurlijk niets meer te maken. Zingen daarentegen is nog steeds iets om lief te hebben en zangers zijn ook nog eens sportieve lieden.

En toch, als Nederland op 9 juni om 18.00 uur Charkovse tijd aftrapt tegen Denemarken kunnen onze jongens op me rekenen en zal ik alleen nog van Hen zingen. Als tenslotte op 1 juli in Kiev om 22.30 uur het laatste fluitsignaal klinkt bij de door Nederland van Spanje gewonnen finale zing ik het hoogste lied. De koning van Hispanjen zal ik honen met de schrilste dissonanten die ik kan voortbrengen, maar Koning Voetbal zal weer heersen en voor Hem zal ik mijn stem verheffen. En Frans de Munck, Jayne Mansfield en Rinus Terlouw zullen weer even opstaan uit hun graf. Voetbal zal weer voor even legendarisch zijn. Ik zal hen bezingen, in koor. En het schema houd ik nauwlettend in de gaten.

Rob Vlasblom
April 2012

maandag 23 januari 2012

STEMVERHEFFING EN POTKACHEL

De kerstbomen zijn koud de deur uit, de engeltjes en loftrompetjes weer in hun doos, of mijn koor Xing haalt Jezus al weer van stal.
We gaan weer aan de slag met Brother in me, een geraffineerde en hilarische collage van fragmenten van gospelsongs en liederen uit musicals en films over vooral het personage Jezus van Nazareth. Ingenieus plak- en knipwerk voor vier stemmen van de tekst- en toondichter Wilbert Friederichs.
Het koor had zich al eerder aan deze Brother in ons gewaagd en er zelfs mee opgetreden voor een stampvolle zaal in de Arnhemse Koepelkerk - het Carré voor amateurkoorzangers - maar de puzzelstukken wilden nog niet goed passen en koor en arrangement vielen enigszins uit elkaar.
‘Te hoog gegrepen’, mompelden eeuwige betweters voorspelbaar en een harde kern van azijnpissers stelde zelfs dat het koor zich had ‘vergrepen aan de Lord en Friederichs muzikale hoogstandje’.
Zo belandde Brother in zijn verdomhoekje, om daar kort na kerst bij de nieuwjaarsrepetitie alweer uit te komen, tot mijn grote blijdschap. Ik ben blijven geloven in zijn terugkeer. Het was een Messiaanse avond.



Na 2.000 jaar nog steeds het hoogste woord, door vele monden, met vele stemmen, uit vele kelen, vooral ook van veel zangers. Hoe zou de stem van deze Nazarener zelf hebben geklonken? Wie weet wel als die van Monty Pythons Graham Chapman in Life of Brian of als een van de hoofdrolvertolkers in Jesus Christ Superstar of Weinachtsoratoria.
Zouden wetenschappers dit ooit eens op het spoor komen?
Dat Hij zijn stem kon verheffen weten we van zijn tirades tegen de wisselaars in de tempel. Ik stel me een krachtige tenor voor. Niet als Placido Domingo, maar spichtig en driftig.
Bij Mozes, ook nadrukkelijk aanwezig in Brother en gospelheld van het eerste uur, denk ik daarentegen aan een diepe bas. Zo’n stentorstem die dendert en dondert uit de diepte wanneer hij zijn beklag doet: Let my people go!

Jezus noch Mozes zal zich hebben afgevraagd of hij wel de juiste toon aansloeg. Toorn zette de toon bij hun luidkeelse protesten. Monteverdi (pseudoniem van Arnon Grunberg) was nog niet geboren, ik vraag me zelfs af of er al een notenschrift was en of deze Heren van het Oude en Nieuwe Testament wel eens iets aan solfege hadden gedaan. Zijn de Tien Geboden en de Evangeliën niet meteen op muziek gezet om meteen de toon te zetten? In C mineur en G majeur?
Ik kom daarop door het volgende.
Na die verloren Brother in me weer aan onze borst te hebben gedrukt en toen we de smaak van reprises te pakken hadden, begonnen we vol goede moed ook maar weer eens Lasciate mi morire, dat eerste deel van de vijfstemmige klaagcyclus van Monteverdi.
Eerder deden we dat in een nogal hoge toonzetting, dit keer wilden we het eens proberen met een aanzienlijk lagere. Voorlopig geen concerten, alle tijd om eens lekker te experimenteren en te ontspannen. Die lage setting blijkt veel comfortabeler.

De vraag rees wat mooier is: een hoge of lage klaagzang. En daarmee ook de vraag: wat is belangrijker, lekker zingen of mooi zingen? Mijn antwoord op die laatste vraag is: hoe lekkerder je zingt hoe mooier het klinkt. Dat beweer ik bij hoog en bij laag.
Lijden leidt volgens menigeen tot schoonheid. Geen kunst zonder lijden. Geen verheven meesterwerken zonder afzien op een koude tochtige zolderkamer in een dikke trui en bij de eeuwige potkachel. Hoge kwaliteit vereist een flinke dosis pijniging.

Echt waar? Welnee! Geen diepgang zonder verschrikkelijk diep te zijn gegaan? Mooi niet, zo klinkt mijn lied. En heeft het lijden van Leiden indertijd tot iets moois geleid? Nou dan.
Klagen kan in allerlei toonaarden en zowel eenzaam bij een potkachel als met zijn allen gemengd bij het kampvuur: brandend.