dinsdag 2 augustus 2011

PENSION AAN ZEE

Het is zover, na een jaar of zestig, vijfenzestig. We, acht paren (‘pensioneren doe je samen’) beginnen aan de driedaagse cursus ‘Pensioen in Zicht’. Georganiseerd door bureau Odyssee, in een hoogzomers Bergen aan Zee.

Geholpen door kartonnen bordjes slaan we veertien namen op, waarna we in tweetallen – bepaald door het lot – uiteengaan. We ondervragen elkaar over arbeidsverleden, liefhebberijen, plannen en verwachtingen. Bedoeling is om, terug in de groep, een treffend en waarheidsgetrouw beeld te schetsen.
Ik tref Bert - stevig, open en goedlachs - die graag van wal steekt. MTS-bouwkunde. Werkt nog fulltime met plezier bij een woningbouwcorporatie. Stopt binnenkort uit zichzelf (lijkt me niet te stoppen door een ander). Wil graag eigen baas zijn. Samen met Trudie. Zij wil niet langer dan drie weken weg bij de kleinkinderen, hij liever drie maanden. Hun compromis is zes weken.
Ik schets Bert als ‘Levensgenieter: toen, nu en in de toekomst’. Zijn waardering is een ‘negen’ voor mijn ‘prima verslag’.
Mijn eigen verhaal gaat over mijn passie voor zingen, liefde voor taal en het verlangen meer te gaan schrijven; ik zeg dat ik schrijven zie als een ambacht.
‘Rob houdt van taal en ambachten’, vat de bouwkundig opzichter het samen.
‘Klopt dat een beetje, Rob?’, vraagt cursusleider Daan.
‘Ja, dat klopt aardig. Eén kleine correctie: ik beschouw schrijven vooral als een ambacht, maar ben verder niet zo ambachtelijk ingesteld.’
We zijn aardig voor elkaar.

De volgende ochtend strijken we voor het ontbijt neer in de zonnige serre. Die is niet voor ons. ‘Voor alle mensen van de cursus Pensioen in Zicht zijn plaatsen gereserveerd daar achter in de zaal’. Ach ja - denk ik - natuurlijk: die ouwetjes zet je gewoon bij elkaar, ze knoeien zo, vooral met croissantjes. Kunnen ze alvast wennen. Pensioneren is vooruitzien.

‘Neem zelf de regie’ was de mantra van de parmantige huisarts die ons allerlei verboden en gevaren kwam inprenten. Hij hoorde zichzelf graag lang vertellen. Over zijn cardiologische omleidingen, de zegeningen van de techniek waardoor hij nog leefde. En zag hij er niet nog goed uit? ‘Eenenzeventig, mensen!’ Fit genoeg voor een hoorcollege van drie uur.
Dat wij onze gezegende leeftijd hadden bereikt lag vooral aan …? ‘Juist, allereerst door de pest en de pokken eronder te krijgen.’ Maar er is nog volop levensgevaarlijks: cholesterol, hoge bloeddruk … Hij dendert door. ‘Pas op met veel drop. Suïcidaal!’. En geen zout! Theedrinkers waarschuwt hij voor een overdosis zoethout. Koffie mag gerust (hè hè, zucht, even lucht). Alcohol is rampzalig. Vooral dat coma zuipen tegenwoordig. Niet doen, ook niet bij een zwart gat.
Vitaminen? D is belangrijk. Daarvoor zorgt vooral de zon. Kijk maar naar al die buitenlandse vrouwen met die O-benen. Te weinig zon. Teveel kleren om die benen, te veel binnen gezeten. Is niet goed met een donkere huid. Hoezo racistisch, dat rachitisverhaal? Ik kijk rond en zie hoe autochtoon we er met zijn zestienen uitzien. Gezond door de zon. Hoe bruin kan een blanke zijn?

Een journalist van het Financieel Dagblad woont een dagdeel bij. Zijn artikel zal niet zozeer de financiële kant belichten, maar de mens achter de pensionado.* Het verbaast hem dat niemand het zwarte gat lijkt te vrezen, maar uitziet naar genieten in vrijheid. Hij zou het gat tijdig dichten met commissariaten.

De avond dat een notaris komt vertellen over erfrecht en hypotheken nemen we vrij, voor een lange zomeravond aan zee. Genieten. Zo schitterend zag ik de zon nog niet ondergaan. Turende over de zee verandert mijn tijdsbesef, of de tijd valt stil. Dit is de essentie van de cursus. Perspectief is niet zozeer een vast vooruitzicht, maar eerder stilte waarin alles kan gebeuren en in beweging is en verleden en heden samensmelten.
Over het strandpad komen de eerste mede-cursisten.Twee voor twee lopen ze naar zee. De zon is onder. We zien hun silhouetten. Grote Tjeerd en Emmy, Koos en Andries, de anderen. Bij de strandlijn slaan Johan en Ada resoluut rechtsaf, noordwaarts. Lonkt er een nieuw gezamenlijk perspectief? De anderen voegen zich samen, als silhouetten in dit schemeruur. Winnie en Barend gaan nu zuidwaarts.
Winnie duidelijk voorop (zij heeft ‘het beheer’) met Barend op enige achterstand. Is hij altijd zo volgzaam? Zal dat zo blijven? De anderen volgen.
Daar, aan de strandlijn, bewegen zich mensen met pensioen in zicht. In het late licht vallen ze samen met de bruisende grijze golven. Ze zijn gekomen en gaan weer, met de getijden.

Inmiddels terug in de sportschool. De lopende band valt me zwaar vandaag. ‘Let it be’, zingt Paul McCartney me bemoedigend toe. So be it.

Rob Vlasblom

*Frits Conijn. ‘Lekker genieten’ blijkt behoorlijk ingewikkeld. Financieel Dagblad, 9 juli 2011, p. 34-35.

dinsdag 21 september 2010

PLUSMAXUS

Goedemorgen Nivo en Xingvoetvolk,

Een nieuwe aanpak, een nieuw geluid. De prikkelende stemoefeningen van ons Diri beginnen hun vruchten af te werpen, en dan heb ik het nog niet eens over die vallende cactus (herfst bij de bovenburen, was halten Sie davon?). Met welk een frisse klank bezongen we de seizoenen van mens en natuur. Indrukwekkend vooral dat slotlied van Mahler & Witte, zo stemmig gearrangeerd door Jansen. En meerstemmig, volgens de muzikale doelstelling van ons koor. Het 't gehele jaar bestrijkende Gedicht van land en tuinbouw klonk verrassend eenstemmig, volgens het beginsel van 'samen soleren' van de smaakmakende reeks workshops onder die naam.


Xing, dat inmiddels alweer heel wat jaren als een volrijp koor aan de weg timmert, klonk verrassend jong en ik voelde me trots als een koorknaap hieraan te mogen bijdragen. De frisse toon is gezet voor een veelbelovend seizoen. Oh happy monday.

Hoe anders was het me te moede op de zondagmiddag, middenin het geweld van 50-plussers. Daartoe uitgenodigd door een bevriende galeriehouder en met het oog op een ondernemende en arbeidzame toekomst van de vrouw togen wij blijmoedig naar de Utrechtse Jaarbeurs, voor mogelijk nuttige contacten met de doelgroep van boven de vijftig, de kijkers naar Max en lezers van Plus, zij die de seizoenen hunner levens in beeld willen krijgen.


Nooit zoveel 50-plussers bij elkaar gezien. Dat begon al in Utrecht Centraal, waar aan de jaarbeurszijde een meute plussers ons tegemoet kwam. Zolang die opgaan in de gewone bevolking - zoals in de Middeleeuwen de hoogbejaarden - is dat allemaal nog wel te doen, dan mengt zich dat wel, maar al die 50-plussers bij elkaar, die hele massieve doelgroep met tasjes van zorginstellingen en stapels folders van creatieve cursussen. Aai. Oef.

Buiten, op weg naar de Plusmaxhal, zat langs de straatkant een stelletje Roma met de Franse slag wat muziek te maken. Er klonken Italiaanse evergreens (Volare, Marina, Berlusconi), en iets dat een beetje leek op De Amsterdamse Grachten. Dat past goed binnen de Europese Unie. Ook klonk er een geheel nieuwe versie van Hava Naguila. Dat lijkt me een grensgeval, maar omdat Israël ook meedoet aan het Eurovisie Songfestival en de Europese voetbalcompetitie kan het nog wel. Niets Roemeens of Bulgaars, want daar zit de Nederlandse 50-plusbeursganger niet op te wachten. Ook trouwens niet op die marginale zigeunermuzikanten, was mijn indruk.


Het klonk dan ook allemaal wel erg weinig geïntegreerd. Niet iets waar zigeunergitaristenvirtuoos Django Reinhardt zijn drie vingers bij af zou likken.

Het stemde me triest dit te zien en horen. Wat een contrast met dat tweetal verraste toehoorders bij een kwartet professionele Purcellzangers in een rustiek Frans kerkje, ver van het Utrechtse Romadrama in de marge van een kudde Plusmaxers.

Ziet iemand nog wel eens dat aandoenlijke zigeunerjongetje met die traan ergens aan de muur? Ik al heel lang niet meer. Een teken aan de wand.

'Ik kan er geen traan bij laten', hoorde ik onlangs een soort Nederlandse Sarkozy mompelen.

Spiel Tzigane! Aven. Die Roma en die Sinti, ik ben daar nog niet mee  klaar.

Binnenin de Plusmaxhal wurmen we ons langs de stands van stichtingen voor al die 50-plussers die ongelukkig lopen, zitten, liggen of staan, of die ongelukkig ademen of denken of in toenmende mate ongelukkig terugdenken. Jonge werkstudenten huppelen ons tegemoet en confronteren ons plussers met onze minpunten. In een hoek van Hal 10 bereiken we gelukkig de oase, de prachtige en smaakvolle stand van Galerie in de Kerkstraat. Wat een rust en wat een fraaie kunst. De tijd stond even stil.

Vanaf de vorstelijke Keizersgracht wens ik jullie op Prinsjesdag een goede week. Weest op je vierkante meter een vorst. Xinger, durf te leven, koninklijk of republikeins (als ik moest kiezen tussen koningin Beatrix en president Sarkozy ... et: si j'étais président de la République ...).

Hartelijks, aven de Roma,

Rob.

zondag 12 september 2010

Strotteren

Wat een avontuur weer. Onze Diri is weer bijgeschoold en wij zullen het weten. Bij Tante Jo Estill, die twintig jaar geleden aan de slag ging met afzonderlijke stemsegmenten. Met een medisch apparaatje was vertoond hoe een zingende operazanger zijn strottenhoofd gebruikte en over allerlei spiertjes bleek te beschikken en daardoor heel wat meer mans bleek dan vroeger van zangers werd gedacht.


Ik zag Maarten verbijsterd kijken. Had hij dat als huisarts eerder geweten, dan had hij al die patiënten niet doorverwezen naar de KNO-arts. Strottenspiertjes, ja, moet je ook maar weten.
Wij hebben meteen alles uitgeprobeerd en het bleek reuze eenvoudig. Voor we het wisten zaten we helemaal subgutturaal, goed diep dus, bij een soort strottenonderbuiksgevoelens. We deden de drie standen: 1. de gewone stem (gewoon mooi zingen, zoals Esther dat graag doet), 2. samenknijpen van de stembanden, het belasten van de stem om elders iets te ontlasten en 3. de brede bekstand, die een gevoel van stevigte geeft. Daarbij oefenden we meteen een beetje twang.
Twang? Ja, twang. Dat is een heel krachtig gebruik van de stem. Oorspronkelijk als strijdkreet gebruikt door Noord-Amerikaanse Platvoetindianen, overgenomen door countryzangers in Nashville Tennessee en brullende rocker Bruce - Born in the USA as well - Springsteen en Tante Jo - ook born in the USA - Estill.
Net zoiets als belten. Belten? Ja, belten. Niet alleen die rauwe Amerikanen zijn meesters in stemverheffing, ook bij de Bundeswehr waren schreeuwtechnieken zeer in trek. Daar leerden ze blaffen of belten als Duitse herders. Zoals Duitse herders kunnen belten zou ik het ook wel willen kunnen.

Deze etnomusicologische verkenningen monden uit bij onze diri en de Xingers met overrijpe stembanden. Met twang en belten probeert zij onze ouder wordende stem weer kracht bij te zetten. Daar komt het uiteindelijk allemaal op neer.

Het gaf me voor de zomerstop al te denken dat mijn zangleraar, als oorpronkelijk logopedist enigszins ingewijd in deze materie, mij af en toe eens flink liet twangen. Nogal slapjes en krachteloos zong ik hem een Bulgaars lied voor, van mijn Medeklinkersrepertoire. Zo in mijn eentje in zijn kleine werkkamer was ik nog wel te horen, misschien klonk het nog wel mooi ook, je weet het niet, maar hij vond dat ik wel wat blerkracht achter de hand mocht hebben. 'Doe maar alsof je een Bulgaarse bas bent die nog hoorbaar moet zijn bij het beltgeweld van een bos Bulgaarse zangeressen'. Je kent ze wel, die schril gekeelden. Behalve het opzetten van een grote bek moest ik ook alle kracht van mijn neusschotten in de strijd werpen. En ja zeg, wat een geweld uit mijn KNO-regio, wat een spierballenvertoon aldaar. Oorverdovend. Mooi was anders, maar het is goed te weten dat ik ook brulspieren heb om op terug te kunnen vallen.

Als vrouwen gaan belten moet een man - zeker als hij oude slappe stembanden heeft - op zijn tijd daar een stevige twang tegenover zetten, zeker in de laagte. Luister maar eens hoe Bulgaarse bassen dat aanpakken, Xingbroeders.
Zo blijft er door de bijscholingen van diri altijd hoop. Xingen met de voice of Estill. Joepie! Hernieuwde Xingpower.

Ook leuk en leerzaam zijn altijd de te zingen verzoeknummers. Menigeen weet het verlangde lied nog wel een beetje te reproduceren, bij anderen is het meer de maxi playback show. Judith blijkt maar liefst minstens honderd duizend liederen niet te kennen. Na Purcell houdt het voor haar wel zo'n beetje op.

Cent mille chansons ... wie kent er nog de woorden van dat prachtige lied? Van ons Xingers praktisch niemand meer. Spontaan ging ik over in de Little Night Music van Stephen Sondheim ('Send in the clowns'), dat daar verdacht veel op lijkt. Elke kent het van Barbara Streisand, ik van Petra en Frank - the Voice (zonder Estill) - Sinatra.
Wat een prachtig lied, er komt geen twang of belten aan te pas. Gewoon de glimlach van een zomernacht.

vrijdag 30 juli 2010

Bespiegelingen in het zonnebad


Ik wilde schrijven over de Koude Oorlog; via het boek ‘Help, de Russen komen’ zit ik er weer middenin. Vreemde oorlog, zonder verhitte strijd en beëindigd zonder staakt het vuren. Ik ervaar weer de ijzige en dreigende sfeer van anti-Russische stemmingmakerij en onheilstijdingen uit mijn jeugd, waarin mijn vader als communist verhitte discussies aanging met ooms die de sociaal-democratie of nog erger aanhingen. Ik was op zijn hand, want niets menselijks was de jongen die ik was vreemd en ook voor mij was vader mijn held. Wij waren duidelijk een minderheidsgroep.
Ik kom uit de kast, misschien als outcast: ook ik was communist. Lang geleden, dat wel. Een jeugdzonde, zoals de Castro-verering van Harry Mulisch? Erfzonde? Nog steeds lijkt het beter daarover te zwijgen.

Ik had willen schrijven over dat prachtige boek van Peter Høeg: ‘Smilla’s gevoel voor sneeuw’, waarmee ik een warme Zuid-Franse zomervakantie lang het hoofd koel wist te houden. Ik smulde van Smilla, maar Høeg is dan ook een meeslepend en beeldend auteur. Het boek speelt voornamelijk in Groenland, waar allerlei duidelijk van elkaar te onderscheiden soorten sneeuw voorkomen. Høeg maakt ze voelbaar, zoals Süskind met woorden parfums doet geuren. Verfrissende literatuur. Sla al die columns maar over en lees een goed boek, zoals dit.

Over coalitiegepuzzel wil ik niet schrijven. Word ik niet warm of koud van. Het zal wel uitdraaien op een zevenpartijenkabinet, met gedoogsteun van wie daar nog buiten valt.

Wel verhit raakte ik bij het bericht dat Desi Bouterse de uitverkoren president was van Suriname. ‘Gangster, moordenaar, drugscrimineel’ hoorde ik mezelf sissen. Maar, vroeg ik me – verbaasd over eigen felheid – af: waarom zou ik als Nederlander zo’n toon moeten aanslaan tegen dit toch democratisch gekozen heerschap? Een enge man, dat wel, maar waarom me zo opwinden over het leiderschap van iemand die betrokken is bij slechts een moord of vijftien en zich lekkerder voelt bij cocaïne dan bij bauxiet? De halve wereld wordt bestuurd door lieden met een vergelijkbare staat van dienst.
Decembermoorden? Alweer 28 jaar geleden. Bouterse heeft onlangs nog zijn excuses aangeboden voor deze jeugdzonde.
Wie ben ik - inwoner van een land waar men zich vooral druk maakt om bezuinigingen - om mijn vingertje uit de dijk te trekken en beschuldigend te heffen naar mijnheer de president van Suriname. Tja, zo’n cocaïnelijn, dat mag natuurlijk niet, het trekt boefjes aan, maar onze Betuwelijn dan? Al die duistere doorvoer daarover van levensgevaarlijke stoffen voor mijn neus? Geen lijntje om te snuiven.

En toch: Bouterse president? Witheet was ik. Voor één keer stond ik aan de kant van Maxime Verhagen. Maar waarom? Suriname is ver, ik heb er geen wortels en ik ken het niet. De meerderheid van de Surinaamse kiezers, lees ik, heeft democratisch voor Bouterse gekozen. Vooral jongeren stemden Bouterse: een collectieve jeugdzonde? Suriname toch. Wat lees ik nog meer? Een meerderheid van de Nederlandse stemgerechtigden voelt wel iets voor een regering van Wilders en kornuiten, VVD en CDA: een volwassen zonde!

Democratie is de politieke staatsvorm waarbij nagenoeg het gehele volk aan de collectieve besluitvorming deelneemt. Toegegeven, ik was er jaren voorstander van, maar met de kennis van nu zou ik er natuurlijk niet meer voor kiezen.

Rob Vlasblom

zaterdag 27 maart 2010

VROEGER LAAT

Vannacht wordt het weer vroeger laat. We moeten weer een uur teruggeven, of krijgen we er door de langere avond één bij? Voor velen altijd een puzzel maar voor mij al heel lang een weet. Voor ezels die niet zonder bruggetje kunnen: het is ineens een uur later, ’s morgens, maar ook ’s avonds. Eigenlijk de hele dag door, maar dat maakt het misschien weer ingewikkelder.

De lentetijd – alle klokken een uur vooruit en wat daarvoor zit een uur naar achteren geschoven (maar niet dubbelop hoor!) – dateert van vroeger, namelijk mijn kindertijd. Kort voor mijn geboorte is landelijk de lentetijd ingesteld, waardoor ik mijn hele leven mijn tijd minstens een uur vooruit ben.
Mijn verjaardag begon altijd een uur eerder, en de spanning over mijn cadeautjes (‘zou ik de nieuwe Sjors en Sjimmy’ – een multicultureel verantwoord stripverhaal over de avonturen van twee vriendjes, zwart en wit – krijgen?) werd vroeger doorbroken.
Bij ons in de familie weet men wanneer de lentetijd ingaat: rond de verjaardag van Rob. Er is geen tijd om daarbij lang stil te staan als je ineens een uur achter loopt.

De lentetijd (geen idee waarom ze het ook wel zomertijd noemen) bestaat na al die jaren nog steeds; tegenwoordig begint mijn verjaardag in heel Europa een uur eerder, van Ier- tot Griekenland. Een mooi idee dat tegenwoordig de hele westerse beschaving, de Oude Wereld, daaraan meedoet.


Ik mag nog steeds mijn Sjors en Sjimmies (nee, dank, liever geen antirimpelcrème, hoe aardig ook bedoeld) een uur eerder uitpakken en lieve gelukwensen in ontvangst nemen. Het kind in mij is dan weer even blij. Maar meer dan toen besef ik dat ik een uur eerder oud word.
Nou ja, ach, dat ene uurtje, dat moet je ruim zien. Bij momenten van melancholie vind ik troost bij de Relativitijdstheorie van Albert Einstein. Toen een bedroefde student de oude Einstein aan diens sterfbed zei de tijd een uurtje terug te willen zetten sprak deze vaderlijk als zijn bijna laatste woorden: ‘Ach jongen, het is allemaal zo betrekkelijk.’ ‘Als je haar maar goed zit’ voegde hij er nog met een glimlach aan toe met zijn laatste adem. De tijd stond even stil, alsof hij nooit had bestaan.

Het is rond mijn verjaardag, laat de lentetijd maar ingaan, laat ons maar eerder wakker worden, de kriebels krijgen en ons verheugen op lange zwoele zomeravonden. Het eerdere uur is bijna geslagen.

dinsdag 26 januari 2010

Onder de douche


Dirigente ziek. Geen repetitie. Zijn we niet gewend. Wat te doen?
Thuis werken, zoals bij extreem winterweer!
Gisteravond om exact 20 uur dus begonnen met een warming up, zoals gebruikelijk. Slordig mengsel van sportschoolslag en borstcrawl, een bijzonder vrije slag dus. Heeft dat zin, zo in je eentje een koorrepetitie? Ik dacht het wel.
Als koorzangers behoren wij tot een groter geheel, maar dat inzicht blijkt maar al te vaak veel te zwak. Laat ik - in de hoedanigheid van koorlid - voor mezelf spreken en falen en feilen allereerst bij mezelf zoeken.
Soms laat ik mezelf zo graag gaan, losgeslagen, als waren er in geen velden of wegen een diri en medekoorleden te bekennen. Hop hop, Rob in vergalop. Niets zo moeilijk voor een koor en haar zangers als te klinken als koor.
Ieder koorlid heeft wel een notie van wat eenheid in verscheidenheid is, maar het moment van de ware samenzang laat doorgaans lang op zich wachten. Zelfs bij de eenstemmige delen (een andere dirigent onder wie ik val zou het liefste de sopranen van zijn koor wel eens apart willen stemmen; de rest van het koor zou dan iets voor zichzelf kunnen doen). Daar geen unisono te bekennen maar slechts multisolo.
Hoe komt dat toch? Een lastige fase in de evolutie van de mensheid? Een uitwas van de democratie? Typisch individualistisch Nederlands? (Hebben Russen, Duitsers en Noord-Koreanen ook versjes zoals 'Drie keer drie is negen, ieder zingt zijn eigen lied?)?
Wat kan iemand in zijn eentje doen aan het gebrek aan samenhang in de samenzang van zijn of haar koor?

Mij viel gisteravond het volgende in. Verbeter het koor en begin bij jezelf. Vergeet even die oergezellige repetities en nuttige oefenbestandjes. Kleed je uit. Neem plaats onder de douchekop en begin met de stand op zacht. Doe maar net of je fantasie hebt en stel je de gestaag vallende druppels voor als je medekoorleden.
Draai de kraan nu op forte, de krachtige stroom is het koor. Daar valt niet tegenin te zingen. Geef je hieraan over en zing de mantra: 'Hoor, ik ben een koor'. Luister naar je verrassend ernstige ondertoon, hoor ook je boventonen, het vocale buikgebeuren, voel de frisse okselsteun. Word meerstemmig jezelf.
Wacht vervolgens actief op je eigen begin tot je merkt dat je al ongemerkt was begonnen. Herhaal dit met de regelmaat waarmee je doorgaans douchet. Dit werkt zowel bevrijdend als verslavend.
Waarschuwing: vergeet de plenaire koorrepetities niet en blijf eventuele oefenbestandjes gewoon gebruiken.
Om kwart over negen heb ik samen met de vrouw de pauzekoffie gezet en genoten, daarna weer snel en gedisciplineerd de doucheruimte ingedoken en met alle klanken die mijn stem maar voortbrengt nog enig twijfelachtig repertoire doorgezongen. Zo zong ik spattend en schuddend in koor 'Als ik U vinde'. Maar zonder dirigent lijkt zo'n zoektocht onbegonnen werk.
Volgende keer toch maar weer onder haar leiding, in plaats van mijn toevlucht te nemen tot onze waterleiding. De douche is de ideale gelegenheid om je als zanger helemaal te laten gaan, zeker, maar voor een vervangende koorrepetitie...? Het hopen en wachten is op weer een gezonde diri. Het liep de spuigaten uit, luidde de diagnose. Dan loopt het gelukkig vaak los.
De maandelijkse koorkroegenavond, na het grondig drogen en in schone kleren, in huiselijke kring gevierd. De vrouw en ik hebben diverse rondjes gegeven. Ik meen dat we veilig thuis zijn gekomen.
Gezondheid! Goede week.
Grachtengordelgroet van
Rob (Mokum, min zeven, gevoelstemperatuur sterk wisselend).

dinsdag 19 januari 2010

BIBEB

Bibeb (95), de 'grootmoeder' van het portretterende interview, overleden, luidt vanmorgen de Volkskrantkop op (terecht) de voorpagina met daaronder: 'Journaliste Bibeb is op 95-jarige leeftijd in (moet zijn 'op', RV) Scheveningen overleden.
Nou en? Nou, dit: Bibeb was een jong leven lang mijn culturele moeder en ik was verliefd op haar dochter, net zo jong en groen als ik indertijd: prille Prea. Als journalistieke krullenjongen bij de Haagsche Courant werkte in de jaren zestig samen met Marianne. Zij had verkering met Bibeb's zoon Wouter. Trots toonde ze me op een dag een foto van haar geliefde Wouter en zijn jongere zusje Prea, met een cello onder handen. Genoeg om stapelverliefd te worden. Prea.


Wij hebben elkaar in levenden lijve aanschouwd – zonder cello - en dat viel mij niet tegen. En haar? Ach, wat zal ik zeggen, prille gevoelens hè, je kent dat wel. Daar kan van alles uit voortkomen. Ik mijd hier details, maar erg toeschietelijk was ze niet. Zo jong als ik was bleek ik echter al over een bijzonder sterk ontwikkelde hardnekkigheid te beschikken.
Zo gedroeg ik me een tijdlang als stalker avant la lettre: zelden passeerde iemand zo frequent Zeekant 110A als ik. Ik vatte er ook als het ware post. Ik heb Prea nooit een noot horen spelen, maar haar bevalligheid heeft zeker bijgedragen tot mijn liefde voor de klassieke muziek. Als ik Yo Yo Ma Schumann hoor strijken denk ik soms nog wel eens aan Prea. Zijn spel en haar beeld, aan mij de vrijheid om die te combineren in het rijk van mijn zintuigen.
Moeder Bibeb heb ik nooit gezien. Wekelijks vrat ik haar bijzondere en psychologiserende interviews, haar interviewen was portretteren, waarbij ze alle tijd nam om een volledig beeld in passende tinten aan de lezer te kunnen voorleggen. Weliswaar sloot ze zich geen 24 uur op met haar slachtoffers, maar urenlange verhoren waren het wel, die vraaggesprekken. Mooi waren haar observaties, de kenschetsende tussenzinnetjes zoals: 'pakt met trillende hand de koekjestrommel om mij een biscuitje te offreren aan het keukentafeltje' (volgt nog een uitgebreide beschrijving van dit meubelstuk en wat dit allemaal zegt van de geïnterviewde) of: ‘drukt peuk uit in dofgrijze asbak, de blik afwezig’.
Maar Bibeb zelf? Wie was zij, behalve de moeder van Prea en Wouter? Ze liet zich zelf niet interviewen, hield zich op de achtergrond. Zoals prille Prea, haar cellodochter, op afstand bleef van mij. Mijn nieuwsgierigheid naar haar uiterlijk en persoonlijkheid nam toe per interview in mijn lijfopinieblad Vrij Nederland.
Er kwam een tijd dat ik niet meer langs Zeekant 110A schuifelde voor dochter Prea, maar voor moeder Bibeb. Ondanks mijn gestalk heeft de moeder, mijn waarlijk culturele moeder, zich nooit aan mij geopenbaard. Dit nu, zo begrijp ik vandaag uit mijn ochtendblad, zal ook niet meer gebeuren. Het beeld van Prea is na al die jaren vervaagd, grotendeels opgegaan in mijn achtergrond. Naar de onbekende moeder blijf ik zoeken, maar het stalken kan ik staken.
Zondag was ik weer in de Jordaan, op het verjaardagsfeest van een collega, op een steenworp afstand van het pand aan de Bloemgracht waar ik 35 jaar geleden mijn levensgezellin Magda ontmoette, toen ook nog wel enigszins pril, aan de voet van de Oude Wester.
Vijfendertig jaar dezelfde vrouw stalken, ver van Scheveningens Zeekant 110A, dat is wel andere koek, nietwaar? En het aardige is dat zij mij ook even zoveel jaren al stalkt. Wederzijds stalken, een mooie liefhebberij.
Overigens - even een zijspoor - werd er in de trein weer gewaarschuwd voor zakkenrollers op de stations. Een hele geruststelling, alles lijkt weer normaal. Beware of pickpockets, der Winter ist vergangen.
Ondertussen gaan we welgemoed verder met ons oud-vaderlandse repertoire, met een wel zeer Calvinistisch klinkend (terwijl het meen ik toch stamt uit de Rooms doordesemde Zuidelijke Nederlanden, waar ze de vrouwen nog korter hielden dan bij ons in de buurt) DRINKLIED.
Maar daar weet Xing wel raad mee. Dat wordt rappen of swingen, laat de schwung en het frivole maar over aan ons prachtkoor. Xing and swing. Bij ons koor vraag ik me wel regelmatig af of de toon- en tekstdichter dit zo wel bedoeld heeft. Maar wat dondert het. Wij nemen de vrijheid.
Er komt een aankondiging binnen van het Arnhems kamerkoor, dat zeer binnenkort het Requiem van Fauré ten gehore brengt. Wel vroeg, dat requiem, maar het koor licht dat keurig toe. Ooit zong ik het met De Vrije Stem, zo'n koor van gekerstende socialisten, in de Eusebiuskerk, op 4 mei bij de dodenherdenking.
Vandaag herdenk ik Bibeb en vooral de herinneringen aan mijn culturele moeder die ik nooit heb gekend.