maandag 23 februari 2009

SWEET SIXTY



Daar waren ze ineens weer eens in mijn beeld en mijn oor en voor mijn geestesoog, die brave bakvissen in plooi- en hoepelrokjes en daarboven in het mohair. Het haar met schalkse puntlokjes à la Conny Froboess, Connie Francis, Corry Brokken en Helen Shapiro. ‘Sweet Sixteen’, de protestants-christelijke middelbare-meisjesschoolmeisjes van de NCRV. Een meisjeskoor anno 1960. Verliefd op Peter, grijze trui en rode sjaal. Alle kokette wipneusjes dezelfde kant uit. Een meisjeskoor uit de tijd dat ik nog een jongen was in de tweede klas, ik geloof dat ik zover al was. Mijn sjaals waren geel of blauw en grijs zou ik nimmer dragen, dat zou ik vanzelf wel worden als de tijd en ik daarvoor rijp zouden zijn.

Sag mir wo die Backfische sind.
Een van hen, Hennie Stoel, heeft ons jarenlang de volwassen wereld voorgeschoteld. Begin 2006 las zij niet langer het nieuws, maar werd haar de les gelezen: ‘te oud’. Te oud voor Sweet Sixteen en te oud voor het nieuws, want nieuws is jong en niet van gisteren. Er volgde een grijze golf van protesten: ‘Hennie Stoel is cool’. Philip Freriks loopt tegen de vijfenzestig, maar dat is een man, dat ligt anders, hem is de zwoele blik van een Sacha de Boer niet gegeven.

Henny Stoel leest het Journaal

Meisjeskoren, zijn ze er nog? Ik ga eens op zoek en zal mezelf wel terugvinden bij de meisjes van zestig, gemengd in een koor als jongen van zestig, met grijzend haar en vergeelde sjaal. Meisjes van zestig, bijna ideaal. Als een Paul van Vliet zal ik ze eens bezingen.


Intussen in de sportschool, waar een ongekende activiteit heerst. Ook hier is doorgedrongen dat dit het jaar is van Darwin, en dat alleen de fitste overleeft. Dit is de plaats om mijn spieren, mijn lijf en mijn leden te evolueren, om de aanstormende jeugd voor te blijven, sweet sixteen achter me te laten. 
De Byrds zingen me bemoedigend toe: ‘But I was so much older then, I’m younger than that now’ (uit ‘my back pages’).

Ik maak er mijn mantra van: 
But I was so much older then, I’m younger than that now. Vanavond verval ik in zoete herhalingen. Vanavond bezing ik de relativitijdstheorie. 
I’m younger than that now. Younger than yesterday.

When I was sweet, when I was sweet sixty.

Rob

dinsdag 9 december 2008

Na het vloeken de kerk in

Ieder gemengd vierstemmig of mannenkoor kent ze wel: bassen.

Een logge club mannen die zorgen voor de vocale vaste vloerbedekking. Trouw maar tegelijk sullig. Degelijk maar daarbij doorgaans ook nogal onbeweeglijk. Het vaste meubilair, goedaardige bromberen met bijpassend gebrek aan muzikale nuance.


Recent – weliswaar beperkt (N = 7, waarbij ik mezelf nog heb dubbel geteld) – onderzoek heeft uitgewezen dat bassen, eenmaal op gang gekomen, een sterke neiging vertonen te blijven hangen in hun eigen dreuntrance. Waar tenoren ambitieus hun plafond zoeken zitten bassen permanent op de bodem. ‘Kan een mens nog verder zakken?’, vraag ik me daarbij wel eens af.

Let maar eens op hun houding. Nooit op hun tenen. Zeer gelijkmatige, ongefraseerde beweegpatronen. Saai. Weinig alert. Hun motoriek wijst op het gespeend zijn van enig gevoel voor tijdige inzet, wat – tot gruwel van dirigenten – helaas ook geldt voor hun stemmen.

Voorkom vooral dat ze namaak-Russisch gaan zingen, als surrogaat Iwan Rebrows (zelf al een karikatuur van oeroude zompige Siberische telgangers)!

Veel componisten en koorarrangeurs houden rekening met de logheid die bassen eigen is en laten hen van begin tot eind maar hun lange lijnen zingen, met af en toe een pommetje of plokje, bim of bam om hen toch een beetje bij de les te houden.

 Muzikaal gespitst zijn en concentratie zijn bij deze diepgevooisde menssoort dus slecht ontwikkeld. Begrijpelijk daarom dat – zeker jonge en ambitieuze – dirigenten daar de nodige moeite mee hebben.

Kort geleden heeft een jeugdige dirigente zich speciaal ‘beschäftigt’ met de bassectie van een van haar koren (gelukkig voor haar heeft ze ook nog een vrouwenkoor).

Beschäftigt, dat klinkt serieus en dat is het ook. ‘Ik vloek bijna’, klonk het met duidelijk met moeite ingehouden woede. Het betrof de voorbereiding van een concert in een kerkje. Jozef en Maria en de kleine waren al een eind op streek maar de bassen hobbelden er achteraan. Vreselijk. Een bas kan of moet toch ook een wegbereider zijn van ouders in nood of asielzoekers? Steunen bij versnelde procedures in plaats van dat vertragende gesleep. Bassen. Het lijken soms wel ambtenaren!

Beschäftigt mit den Bassen, ‘ik vloek bijna’. Ik moet er niet aan denken dat de betrokken immer charmante dirigente tijdens uitvoeringen in de kerk ineens uitbarst in heftig gevloek tegen de bassen. Sommigen van hen overleven dat niet.


 En kerstliederen kunnen toch zo prachtig zijn. Van alle Carrolls is me vooral die van Neil Sedaka bijgebleven. ‘Oh Carroll, I’m but a fool, don’t ever leave me …’ ‘But if you leave me, I will surely die’. Ook geschikt voor Pasen, lijkt me.

Intussen in de sportschool: 

Daar ben ik begonnen met hielen lichten, een soort op de plaats op mijn tenen lopen. Ik ga snel vooruit, hoewel het lopen en fietsen me hier geen millimeter vooruit brengt. Dat sur place blijft een vreemde gewaarwording. Beetje bizar ook al dat gerek en gestrek en geloop en gefiets op de vierkante meter van al die zwetende medemensen op de muziek van Queen: ‘We are the champions’. Kampioenen van de revalidatie. Freddy Mercury zingt de zich afpeigerende spinners toe: ‘I want to ride my bicycle’. Mijn God, wat een bizarre boel. ‘A day at the races’ vervolgt Queen te midden van al dit getob. Ja hoor, spot er maar mee.

Ik zie ineens een grotesk beeld voor me: ‘Een als sportschool ingericht Zeeuws kerkje in het Openluchtmuseum met aan de apparaten louter bassen, massaal We are the champions zingend. Een nieuwe film van Monty Python?

 Vanaf de waterkoude Keizersgracht de beste wensen voor deze week van uw columnist, tevens bas en sportschoolsporter,

Rob.  

 

 

dinsdag 18 november 2008

Je kunt maar beter niet tegen je verlies kunnen

Overstelpt door reacties op mijn column ‘Het kan vreemd gaan’ sta ik nog even stil bij afwijkingen van geijkte paden, om daarna weer gewoon verder te gaan. 
Niet alleen over de betekenis van ‘vreemd gaan’ bestaat verwarring, ook gevoelens hieromtrent blijken de medemens vergaand te kunnen ontregelen. 
Allereerst: vreemdgaan is niet iets incidenteels, ‘zomaar eens een keer’, zoals de smoes luidt, maar een langdurige beweging met onderbrekingen en een doorgaans slingerend patroon. Kenmerkend is het afwijken van het rechte pad. Maar ook met het doel kan iets mis zijn. Recht afgaan op het verkeerde doel is eveneens ondeugend. En een onvaste gang naar een ondeugend doel deugt van geen kanten.

Voor vreemdgaan kun je in behandeling, zoals psychoanalyse en gedragstherapie. 
Bij psychoanalyse ga je liggend op een sofa vrij associëren (dat is al een en al vreemdgaan). Waar je dan allemaal terecht komt? Dat wil je niet weten en daarom maar liever gauw vergeten en weer snel verdringen. En dan is er nog het teruggaan naar je vroegste jeugd en vervolgens weer zien wat er sindsdien van je geworden is. Wie zo zijn levenspad weer volgt moet vaststellen: het is vreemd gegaan.
Bij gedragstherapie ga je bepaalde handelingen nog eens opnieuw verrichten, maar dan in een ander daglicht. Dat werkt met duidelijke opdrachten en hapklare brokken, je merkt per keer het resultaat. Dat zou wel iets voor mij zijn.
Ik weet overigens niet meer of het er hierbij gaat om af te komen van het vreemdgaan of van het daaronder gebukt gaan (geen vreemde, maar wel een ongezonde houding).

Mijn sportschool is vlakbij mijn zangles. De opmerkelijke verschillen en overeenkomsten tussen zangles en sportschoolsport laat ik even voor wat ze zijn. Het gaat nu even om de muziek in die sportruimte. Mijn zangleraar Philip Didacticus rekt en strekt hier ook, maar de muziek is hem er een gruwel. Ons beider afkeer van het kedonk kedonk van de muziek van het huis is duidelijk. Liever hier ook geen zware metalen. Als hij al muziek verdraagt bij zijn fitnessactiviteiten, dan maar klassiek.
Ravel’s pianoconcert voor de linkerhand doet het inderdaad uitstekend bij de evenwichtstollen voor de spiegel. En voor alle gezwoeg waarbij we stapsgewijs de beproeving steeds tien kilo zwaarder maken of anderszins een tandje bijzetten heeft Bruckner geschikte deuntjes gemaakt.
Maar of die Vier letzte Lieder van Strauss hier nu zo zinnig zijn of een of ander Requiem of een onvoltooide symfonie, Flip? Ik weet het niet. 

Als ik er even doorheen zit zijn daar ineens de mannen van The Police met ‘I can’t stand losing’; Sting c.s. slepen me er dan doorheen. En ook mijn eeuwig jonge cheerleader Tina Turner geeft me soms het hoognodige kontje.
Satie of Wagner, prachtig hoor, maar ik trek of duw er geen gram meer door. 



Voldaan na de zangles en aansluitende fitnesssport natuurlijk linea recta naar de drankwinkel, op zoek naar een lekkere port. Een bekende fabrikant heeft zijn flessen voorzien van een aardig wervend papieren kraagje, met daarop het aanlokkelijke aanbod: ‘Gratis berenvel voor bij de haard’.
Nu gaan de meeste reclames weliswaar aan mij voorbij. Ik ben sowieso geen groepsmens, dus ook geen doelgroepmens. Maar deze portreclame is zeker wel aan mij besteed en die ervaar ik ook als een aardige geste aan een zeer selecte groep. ‘Slechts 1 berenvel per adres. Minimale leeftijddeelname 18 jaar’, vermeldt het kraagje.
Gratis en een berenvel, als dat niet aan mij besteed is…
We moeten nog wel op zoek naar een haard bij het berenvel. Daarom bij deze de oproep: wie heeft er nog een haard? Een huis hebben we al.

Ik ben in de winning mood en op maandagavond blijkt het ambitieuze Xingkoor ook al in topvorm. Toch niet te vroeg gepiekt? Nee, zeker niet. Diri en vierkoppig publiek vinden dat we zondag bij de Vierkorenslag juist over de top moeten gaan (hoewel dissident M. waarschuwt tegen overdrijving). ‘Karekieteraal’, klinkt het jubelend uit de prachtig onthechte maar nog niet geheel genezen mond.
Xing can’t stand losing. Together we win, united we stand. De geest is uit de fles. Hier en daar wordt al flink gevochten om geen plaats. Een enkele alt blijkt al te rijp of oogt als een wat lang gefrituurde Vietnamese loempia.
Wel vrees ik enige vleugellamheid van de wel erg drastisch gekortwiekte cherubijntjes. Ik had met Philip nu juist zo hard gestudeerd op de nu geamputeerde romp (Philip: ‘… hadden jullie weer eens een stuk van enige omvang … ‘).

Natuurlijk gaan we winnen zondag, tenzij de jury corrupt, geschift of onbekwaam is.
Lof tenslotte voor de dames van Atelier Goldsticker met hun bronsgouden greep.

Vanaf de Keizersgracht mijn groet aan allen.

Rob.

maandag 10 november 2008

Het kan vreemd gaan

Zeer onlangs bezocht ik na lange tijd weer eens een cabaretvoorstelling. De betrokken cabaretière was al die tijd ook niet als zodanig actief geweest. Zo delen wij een gat in de tijd. Samen met een gewonde pianiste, een originele vondst en een gewaagde combinatie, liet zij zich langdurig uit over lusten, groei- en krimphormonen, over de levensseizoenen en hoe het daarbij zit met het gehalte aan levenssappen en vooral over het fenomeen vreemdgaan.


Wie gaat vaker vreemd, hij of zij? Of misschien het? Al googelend kom je daarover de meest uiteenlopende cijfers tegen die overigens niets verduidelijken, maar dat zal ook wel niet de bedoeling zijn.
Ik ben niet zo van de cijfers, maar meer van de motieven. Wat beweegt die vreemdgangers? Bewegen zij zich vreemd? Gaan zij erg vreemd of een beetje? Kun je ook gewoon vreemdgaan? Hoe ver kun je überhaupt vreemd gaan. Waar is het nog gewoon en waar begint het vreemd te gaan?

Als je de arme kleine winkeliers, die hun hoofden maar moeilijk boven het wassende water houden, eens een keertje overslaat zoals ik op weg naar de supermarkt, omdat ze daar nog veel meer hebben wat je lust, ga je dan niet duidelijk vreemd?
Ik voel dat wel zo. Ik ga heel vaak vreemd bij Albert Heijn. En ook heel erg vreemd. Hoe voller het karretje waar ik achter slof op mijn tocht langs al die verleidelijke schappen, hoe verder ik me voel vreemdgaan. Een en al lustbevrediging; al die geheel vernieuwde producten in geraffineerde pikante verpakkinkjes, de plakjes nu ook in mooie krulletjes, nog meer vruchtjes in het toetje of het sapje, wat kan ik me daar aan vergrijpen. Ze verlokken me tot nieuwe en ook gewenste intimiteiten. Pak me dan, roepen ze me toe, die snoepjes van de week van lover boy Appie Happie. Wie mij ziet vreemdgaan achter mijn winkelwagentje herkent meteen de notoire recidivist.
De eerste keer dat ik vreemdging was toen ik mijn oude fiets inruilde voor een nieuwe. Wat een ontrouw. Gazelle voor Koga, een exotische uitspatting.

De kuiten van Leonore zijn tweemaal dikker dan de mijne, constateren we samen. Dat is te gek. Daar gaan we aan werken. Ik spoor ook niet helemaal, is onze bevinding. Samen gaan we mijn vreemde gangen na. We gaan er iets aan doen. Samen op pad, maar niet interkerkelijk (wie kent nog dat radioprogramma ‘Met Pit op Pad’, waarbij Pit stond voor protestants interkerkelijk thuisfront?).
Ik ben niet van de kerk, maar Jezus Mina, wat is onze verzuilde samenleving vergeven van vreemdgangers, van bijslapers op een kussen met de duivel ertussen. Dat ‘thuisfront’ vind ik wel mooi. Vreemdgangers kunnen er altijd weer naar terugkeren.

Leonore – we zijn weer terug in de sportschool waar ik mijn capriolen uithaal – zet me op de fiets. Dat wordt weer een spannende koers. Mijn kuiten spannen zich tot het uiterste, wat vanuit het perspectief van die van Leonore een lachertje is: Schwarzenegger versus juffrouw Ooievaar (ik haal met columnistische vrijheid de seksen maar even door elkaar). Maar goed, zij is al heel lang bezig met spieren en ik nog maar kort. Qua spier kom ik nog maar net kijken.
Dan moet ik op een nieuwe cirkelvormige evenwichtsbalk. Plat van boven en aan de onderkant mooi rond. Hier lijkt sprake van een omgekeerde Atlas. Deze kleine bol moet mijn al te zware tors dragen. Het evenwicht is hier niet meer wankel, als bij Albee, maar volstrekt afwezig. Dit is nog een planeet te ver, ziet Leonore en ik mag van haar terug naar de aarde, die gelukkig plat blijkt.


Veel in deze sportzaal is goed bezien heel vreemd. Zonder enige voortgang lopen op een bewegende weg, als dat geen vreemd gaan is. Op de drukpers voor de benen mocht ik vorige keer nog zeventig kilo van me afdrukken, maar Leonore stelt dit ellende barende apparaat nu in op mijn eigen gewicht (bepaald geen zeventig kilo, ik kom er maar meteen vooruit, dan hebben we dat ook maar gehad).
Vrijdag nog meer overgewicht. Ik ga alvast maar vroeg naar bed. Thuis.

Vreemdgaan bestaat bij de gratie van thuiskomst of terugkeer. Een medebas heeft zeer onlangs een pleisterplaats gevonden. Maar is dat niet, per definitie, een tijdelijk verblijf? Gelukkig heeft hij ook een nieuwe behuizing gevonden.
Overigens, ook ongezien, een mooie wond, diri-pianiste-zangeres-scribente. De volledige terugkeer van je expressiviteit is snel aanstaande en wat er nog aan resten van te zien zal zijn zal je zeker niet vreemd zijn.
Nu nog een indrukwekkende kneus-, knars- en smakwond. Een typisch geval van vouwfietsjongleren on de Amsterdamse noord-zuidlijn.
De beschermengeltjes van Tsjaikowski hebben er ook aan moeten geloven. Muzikale chirurgijnen uit het beruchte Spijkerkwartier hebben de cherubijnen danig besneden. Er is wat afgestigmatiseerd dezer dagen.

Nog even terug naar de tuin der lusten, die van het cabaret onlangs. Zelden is de erotiserende kracht van de burka zo overtuigend in beeld gebracht. Alleen al daarom is zijn de nog komende dertig voorstellingen een aanrader, zeker ook voor de nog ontbrekende 24 theaterdirecteuren.

God bless the blessed.

Amen,

Rob.

dinsdag 4 november 2008

Press legg

heet en zegt het apparaat waarop ik ruggelings lig gestrekt, de knieën iets omhoog en lichtelijk uiteen. Ligt hierin ook de verlossing van de buikige man besloten? 
De boodschap is in ieder geval ondubbelzinnig: drukken en persen maar. En het doel duidelijk: een krachtig onderbuikgevoel.


Dit wordt zwaar, luidt de waarschuwing die mijn voeten, kuiten, enkels, bil- en onderrugspieren doorgeven aan mijn hersenen. Ik heb er ook een zwaar hoofd in. 
Met door mezelf geleide fantasie probeer ik me een weg te banen door deze zware presslegweerstanden. 
Zo associeer ik mezelf terug in de mooie tijd dat ik nog een atletische jongeling was, een ferme jongen stoere knaap, met alle spieren krachtig gegroepeerd, mooi gebundeld en op de goede spanning. Uit die onbezorgde tijd van journalistieke krullenjongen bij de Haagsche Courant herinner ik me Drukkerij de Pers aan de Pletterijkade, waar het drukwerk zo uitgesproken en heerlijk geurde. Me werkend in het zweet van een verschrikkelijk aanschijn is daar weer die opbeurende geur. Deze geur die me altijd zo beviel helpt me ook door deze bevalling. Niets wat de herinnering zo sterk kleurt als een geur.
En ook de geruststellende, troostende klanken van de Everly Brothers – favorieten uit mijn tienertijd – en de fitness van Tina Turner (alle lof voor de muziekkeuze van deze sportschool) houden mij weerloos liggend op de persende been. De vriendelijke fysiovroedvrouw glimlacht me bemoedigend toe, als de Florence Nightingale van de postmoderne krukken.

Mijn geliefde – een slimme meid – oppert dat deze ellende die uiteindelijk tot een opperste gelukzaligheid moet leiden, te weten mijn lijfelijke herrijzenis, wel eens in mijn zorgverzekeraarpakket zou kunnen zitten.
En ja hoor, zo is het. Maar dan moet ik wel klachten hebben. Die zullen er nu ook wel komen, daar neem ik maar een voorschotje op. Zit spierpijn in de polis? Of dwangmatig navelstaren?

Ach, die sportschoolsport, wat een avontuur. Het doel is prachtig, maar de weg niet minder. Het lijkt de liefde wel.

Eens even kijken of er nog meer gebeurt in de wereld. De Noord-Amerikanen kiezen vandaag een nieuw opperhoofd. Wie het ook wordt, alweer geen Indiaan. 
Voer voor vooral cabaretiers, zoals me gisteravond al bleek bij een try out in een zaal vol zangers, streng geregisseerd door XingDiriding, als ware het een productie van Joop van den Ende. Zo hebben wij amateurzangertjes ook nog de illusie iets bij te dragen aan de kleinkunst in het plaatselijke KPN-Carré. Ik houd me nu verder verre van die Yankeepolitiek, want ik heb het niet zo op kristelijke tv-domineeachtige surrogaten van Martin Luther King die uit willen stralen dat niemand zo aardig is dan zij, afgezien dan misschien hun oma. Laat nu die oma, zo las ik vanochtend in de Volkskrant, zojuist zijn overleden. Wat een verkiezingsstunt. Die Amerikanen gaat ook niets te ver.
En ik moet ook al niets hebben van oudere krijgsheren in permanente staat van oorlog. 
Mijn positie is neutraal afwijzend, om met Godfried Bomans te spreken.


En daar verschijnt Peter Timofeeff. Die man verandert nooit. Altijd het typetje gebleven dat Wim de Bie van zijn tweelingbroer maakte. Nog steeds die tweelingbroer, die na de net niet guurste dag van het jaar – altijd in voor een lichtpuntje – meldt dat ‘het eigenlijk helemaal niet zo’n verkeerde dag was.’ Net niet helemaal een foute man. Ook politicus overigens, gemeenteraad van Zeist.
Er schijnt zowaar altijd een bedrijf te zijn die deze ellende financieel wil steunen, een hele rijke weergod:
‘Het weer wordt mede mogelijk gemaakt door … Ultrazand, zeep, soda’
Dit betekent dat het ook mogelijk is om het weer onmogelijk te maken.
‘Weer of geen weer’, dat is dus ‘The question’. 
Ik vraag me ernstig af of, als er geen weer meer zou zijn, mensen het er dan nog over zouden hebben. Misschien wel ikzelf. Wellicht zou ik weer in een melancholieke bui (buien blijven altijd bestaan) verzuchten: vroeger had je nog weer. Was het maar weer zo.

De nieuwe wegen van de forens zijn ondoorgrondelijk. In mijn intercity naar Mokum wordt (niet worden) reizigers naar Den Haag geadviseerd niet via Gouda (alweer daar een ongeluk) te reizen, maar via Schiphol. Tot voor kort zette de NS bussen in, nu blijkbaar Boeings en Lockeeds (bestaan die nog, sinds die affaire?)

Bij de entree van het station (Sonsbeekzijde wordt steeds meer de hoofdingang, zeker de mijne) neem ik snoepjes aan van twee vreemde vrouwen. Mag dat? Gevaarlijk? Als dit de risico’s van het leven zijn neem ik ze. Van harte zelfs.

Hartelijks vanaf een mistige Keizersgracht (vorstelijk bij alle weersomstandigheden, helemaal geen verkeerde locatie, meneer Timofeeff, ik stuur u wel eens een fotootje voor uw one weermanshow) van jullie huiscolumnist

Rob. 

dinsdag 28 oktober 2008

De eerste keer

was het intrigerende thema waarmee de leden van het gemengd koor Xing onlangs op kamp gingen. Dat leidde tot een wel heel erg bonte avond met vrijmoedige uitingen van gewenste intimiteiten en oorverdovend klappen uit heel vreemde scholen. Ik was sprakeloos en eenmaal zelf aan de beurt liet ik weten dat die eerste keer voor mij nog moest komen.

 Vrijdag 24 oktober 2008 van onze jaartelling was het zover, mijn sportschooldebuut, van groene knaap tot volwassen sportschoolsportman. Menigeen vreesde voor mijn leven, ikzelf niet het minst, mijn lijf kan wel wat hebben, maar hoe deze indringende ervaringen zonder geestelijk letsel door te komen? Ik wist het werkelijk niet.

Traumatische herinneringen aan beklemmende gymzalen uit een redelijk verdrongen ver verleden spookten weer door mijn hoofd.


Daar liep ik met twee plastic tasjes van speciaalzaak Intersport Harbach uit Zutphen (ver genoeg van Arnhem om niet meteen herkend te worden), met een handdoekje, mijn 20 jaar niet gebruikte maatschoenen van Adidas (ooit in mijn sas met Adidas) en een van de vrouw geleende lichtblauwpaarse pyama-achtige slobberbroek voor uitsluitend intern gebruik.

 Ik vreesde het ergste maar hoopte stil op een ware wedergeboorte. Makker laat het hoofd niet hangen, sprak ik mezelf moed in bij de sportschooldeur. Je kunt het, er is nog zoveel wat je uit je lijf kunt halen (dat voelde rijk). Daarom kloek en moedig de eerste ferme tred gezet (zong ik niet ooit als Xingsolo: ‘Nadie con paso mas firme, habra pisado la tierra, nadie habra habido como el’, met door woensdagavonddirigent aangeleerde vlekkeloze Buenos Airese tongval…’nooit betrad iemand met fermere tred de aarde; of Garcia Lorquez daarbij aan het betreden van een sportschoolbodem heeft gedacht …?).

 Ik gaf mijn lichaam over aan toestellen die tot mijn wedergeboorte moesten leiden, ik verordonneerde mijn psyche om maar even iets lekker voor zichzelf te gaan doen. En ik wist: dit is cool. Dit is iets waarover ik naar huis kan schrijven. Me Tarzan.

Dave verwelkomde me en zette me op een opwarmfiets, waarvoor een levensgrote meedogenloos confronterende spiegel me een waar schrikbeeld toonde. Daar zat ik op een fiets om een beetje lullig sur place te plegen. De eerste keer met een spiegel voor mijn fiets. Normaal bezie ik het verkeer voor me, of een schitterend landschap of de ondergaande zon, maar wat ik nu zag leek vooral de ondergang van mezelf, de aftakeling in foute kleren. Of een fout lichaam? Viel daar met al die apparaten echt nog iets wezenlijks aan te doen, was er nog een wederopstanding in het verschiet?

 Wat doet een mens wanneer hij slechts de eigen wanhopige blik in het vizier heeft? Juist, wegkijken. Om me heen een wel zeer gemengd publiek. Een tanige overgrootmoeder (onze Xinggrannies zijn daar tienermeisjes bij) die op haar rug gewichten lag te heffen (zou zij ooit nog overeind komen?), buikige pensionados die pezend poogden het op hun retour zijn om te buigen naar de weg van de eeuwige jeugd. Een buitenlands ogende dame met hoofddoekje; leuk, zo’n toefje allochtoon erbij. Een moslima op een sportschoolfiets, hoe vind je zoiets?

 Eenmaal opgewarmd wachtte me een volgende fiets waarmee ik mijn eigen parcours kon samenstellen. Dat werd dus een etappe die de coureurs van de Tour de France zouden vrezen. Zo fietste ik mezelf met krachtige tred naar de top van de Mont Ventoux, die gevreesde Moessorgskiachtige Kale Berg. Waarop eens een zwaar gedrogeerde Britse coureur, Tony Simpson, het leven liet en de beresterke ‘kannibaal’ Eddy Merckx na aankomst een uur aan de zuurstoffles heeft gelegen. Maar ik? Monter en fluitend, nog vol energie behaalde ik mijn roem op de top. Maar ja, als ik het zwaar dreig te krijgen gaat mijn fantasie met de aan de haal en dan schiet het soms lekker op.

De toejuichingen vielen wat tegen, ik kan blijkbaar toch moeilijk zonder publiek. Wat me brengt bij het schrikbeeld van menig penningmeester in actieve dienst.

 Ik herinner me een droom die Youp van ’t Hek eens vertelde. Hij stond voor Carré, waar hij zijn eerste show hoopte te stelen. Met een tas vol kaartjes voor zijn eigen voorstelling. Alleen hij kon voor toeschouwers zorgen, hij was de enige kaartjesverkoper voor zijn one man show. In dat grote Carré. Hij schreeuwde het uit, als een marktventer, maar geen hond die bij hem een kaartje wilde kopen. Zijn familie had hem al een levenlang zien optreden en hoopte daar nu van verlost te zijn. In de nood leert men zijn vrienden kennen, die waren er dus niet. Menig cabaretliefhebber kruiste zijn pad, maar ze hadden al voorstellingen van anderen geboekt, het aanbod was zo groot.

Youp ontwaakte met een schok uit zijn droom en besefte dat hij een ander was: de penningmeester van Xing, die nog maar een fractie had verkocht van al die nog te slijten kaarten om de kas en de zaal te kunnen vullen.

Gezien de huidige repetitieresultaten en de omvang van de Kemazaal is er gelukkig nog een kleine maand respijt.

 Er is een mooie oude Joodse zegswijze: wie één mens redt, redt de hele mensheid. Zo geldt ook: Help de penningmeester van zijn kaartjes af en je helpt het hele koor.

Bestel dus nu meteen een flink aantal kaartjes, vetrouw erop dat vrienden, familie en bekenden een prachtig concert staat te wachten voor een belachelijk vriendenprijsje van €  7,50.

 Is dit een beetje wat je  bedoelde, Henk? Wervend genoeg?

 Van mijn vorderingen op de sportschool houd ik jullie op de (soms grote) hoogte, ik heb er mijn tweede keer al op zitten. Misschien maak ik er wel een weblog voor, hoewel dat weer uit de tijd lijkt te zijn en valt te ontmoedigen volgens een internetkenner in de Gelderlander van afgelopen zaterdag. Hij doet kond van weblogs als vrijplaatsen waar Jan en alleman zijn ‘hersenscheten’ op ons los laat.

 Morgen stort ik me weer met zangles op de engeltjes van Tsaikowski, waarna ik meteen met ferme pedaalslag (nadie con pedalopaso mas firme …) naar de nabije sportschool spurt om weer sur place mijn hoogstandjes af te werken.

 Vandaag niet vanaf de Keizersgracht, maar vanuit het ook al zo fraaie Spijkerkwartier.

 Een goede week gewenst door jullie huiscolumnist,

 Rob.

donderdag 23 oktober 2008

Grip op je dip

Goede donderdag Xingers,

Een tussendoortje op een lange donkere dag in Amsterdam (’t lijkt nacht in Amsterdam, oehoe, vrij naar Ramses).
Als de humor op straat ligt, dan vind je de columns in de trein. Leve de Metro, Spits en Pers (Dag is definitief ter ziele, dag Dag).

In de Metro allerlei alleraardigst medisch nieuws:

‘Grip op je dip’ heet een voorlichtingscampagne, die een online cursus aanbeveelt voor opwaartse bewegingen. Zoiets als Ontdek je plekje en Snap je hapje (voor wie wil weten wat hij altijd aan verkeerds heeft gegeten maar dat toch heeft overleefd en kunnen navertellen).

Bij die dipgripcampagne kijkt me een Chinees uitziende wulps lonkende dame met een handje onder haar kin (‘kop op’) zwoel in de ogen. Van een verrassend opbeurende droefheid, van andervrouws melancholie kan ik ontzettend blij worden. De dame kan ook Koreaans of Japans zijn, dat meen ik vaak te kunnen onderscheiden, maar bij een dipje lijken alle Oost-Aziatische vrouwen op elkaar; ze kijken dips.

 Gisteravond, op weg in zijn oude koets naar Loenen, liet mij mijn woensdagavonddirigent me verwachtingsvol een cd horen. Fanfareachtige muziek ondersteunde diep droefgeestige (maar prachtig poëtische) teksten van een Zaanse zanger. Het leek nergens op en naar, en daarom vindt hij het zo goed. Zeldzaam melancholiek, maar hij had er met zijn 12-jarige dochter verschrikkelijk om moeten lachen. Ook ik, maar dat komt misschien omdat ik overbevattelijk ben voor aanstekelijk lachenden.

Goed hè? Ja, woensdagavonddirigent. Verrassend. Ja, erg authentiek.

Het lijkt een beetje op processiemuziek, zei ik stuntelig in een poging er toch iets karakteristieks over te zeggen, want alleen meelachen en beamen hoe fantastisch je het vindt komt ook wat wezenloos over. Dat bleek middenin de roos. Ja, dat is het, beaamde woensdagavonddirigent. Het deed hem denken aan de dorpsachtige fanfares uit zijn rijke Roomse kindertijd in het Roomse gouvernementsgebied Zuid-Limburg.

Daarom maakt dit hem zo blij als een kind als hij het opzet na een donkere nacht met nare dromen. Dan begint hij de dag met muzikale opkikkertjes zoals iets Latijns Amerikaans of dit illustere Zaanse groepje.

 Ik heb zijn ceedeetje mogen lenen en ben om. Authentiek en toch om aan te horen.
De naam? ‘De Kift’. De CD heet ‘Hoofdkaas’. Aan te bevelen. Ik kom er nog op terug.

Ze hebben overigens subsidie gekregen, waar die is weggehaald bij ‘serieuze’ groepjes als het Schönbergensemble.

Ik heb geen rijk (of arm) Rooms verleden, ik ben sowieso door heidenen opgevoed, ik heb altijd alleen in mijn eigen processie gelopen, maar De Kift raakt ook bij mij een gevoelige snaar. Ook wie ontstemd is is geraakt.

 Naast het gripdipjesstukje staat in diezelfde Metro van vanmorgen een oproep voor medewerkers aan een onderzoek naar behandeling tegen hiv, waarop mijn oog beroepshalve valt. Goed idee, denk ik allereerst.

Maar dan. De oproep is gericht aan ‘gezonde mannen en vrouwen van 18 t/m 55 jaar’. Dat rokers niet mogen deelnemen beschouwen we nauwelijks meer als discriminatie, wat went dat snel. Verder: Voor vrouwen geldt dat ze minimaal twee jaar niet meer menstrueren, gesteriliseerd zijn ‘of uw baarmoeder is verwijderd’, meteen gevolgd door de worst voor de kar: ‘De vergoeding na deelname bedraagt € 1.850’. Dat is voor die laatste categorie dan toch nog een aardige bonus, denk ik dan.

Op de pagina ernaast glimlacht een blondine me toe bij de oproep voor ‘De Farmacie Carrièredagen ‘08’ in de RAI. Opening door Maarten van der Weijden (Olympisch kampioen 10 km open water). Farmacie en sport, ja ja.

 Of ik iets tegen de farmaceutische industrie heb? Nee hoor. Zonder EPO zou ik het niet redden in de sportschoolsport (morgen mijn twee dagen uitgestelde debuut, waarop ik uiteraard ook terug kom). En zonder zomerprik van de Erven Pasteur uit Lyon was ik nog hondsdoller geweest dan ik al ben.

 Zo, tijd voor een focaccia Pastrami uit de Runstraat om de hoek, en dan weer aan de serieuze taken.

 Graag wijs ik nog eens op mijn nieuwe e-mailadres: r.vlasblom5@upcmail.nl . Vlasblom5? Wat is er met die vorige vier gebeurd, vroeg mijn zwager Frans me snedig? Iets voor interpoll?

 Hartelijks vanaf de vorstelijke en altijd stemmige Keizersgracht.
Miep, een mooi avontuur in dat oude Vietnam.
Tot kroegmaandag. Weer opnamen? Of juist verstoppertje spelen?

 Va bene,

 Rob.