maandag 23 januari 2012

STEMVERHEFFING EN POTKACHEL

De kerstbomen zijn koud de deur uit, de engeltjes en loftrompetjes weer in hun doos, of mijn koor Xing haalt Jezus al weer van stal.
We gaan weer aan de slag met Brother in me, een geraffineerde en hilarische collage van fragmenten van gospelsongs en liederen uit musicals en films over vooral het personage Jezus van Nazareth. Ingenieus plak- en knipwerk voor vier stemmen van de tekst- en toondichter Wilbert Friederichs.
Het koor had zich al eerder aan deze Brother in ons gewaagd en er zelfs mee opgetreden voor een stampvolle zaal in de Arnhemse Koepelkerk - het Carré voor amateurkoorzangers - maar de puzzelstukken wilden nog niet goed passen en koor en arrangement vielen enigszins uit elkaar.
‘Te hoog gegrepen’, mompelden eeuwige betweters voorspelbaar en een harde kern van azijnpissers stelde zelfs dat het koor zich had ‘vergrepen aan de Lord en Friederichs muzikale hoogstandje’.
Zo belandde Brother in zijn verdomhoekje, om daar kort na kerst bij de nieuwjaarsrepetitie alweer uit te komen, tot mijn grote blijdschap. Ik ben blijven geloven in zijn terugkeer. Het was een Messiaanse avond.



Na 2.000 jaar nog steeds het hoogste woord, door vele monden, met vele stemmen, uit vele kelen, vooral ook van veel zangers. Hoe zou de stem van deze Nazarener zelf hebben geklonken? Wie weet wel als die van Monty Pythons Graham Chapman in Life of Brian of als een van de hoofdrolvertolkers in Jesus Christ Superstar of Weinachtsoratoria.
Zouden wetenschappers dit ooit eens op het spoor komen?
Dat Hij zijn stem kon verheffen weten we van zijn tirades tegen de wisselaars in de tempel. Ik stel me een krachtige tenor voor. Niet als Placido Domingo, maar spichtig en driftig.
Bij Mozes, ook nadrukkelijk aanwezig in Brother en gospelheld van het eerste uur, denk ik daarentegen aan een diepe bas. Zo’n stentorstem die dendert en dondert uit de diepte wanneer hij zijn beklag doet: Let my people go!

Jezus noch Mozes zal zich hebben afgevraagd of hij wel de juiste toon aansloeg. Toorn zette de toon bij hun luidkeelse protesten. Monteverdi (pseudoniem van Arnon Grunberg) was nog niet geboren, ik vraag me zelfs af of er al een notenschrift was en of deze Heren van het Oude en Nieuwe Testament wel eens iets aan solfege hadden gedaan. Zijn de Tien Geboden en de Evangeliën niet meteen op muziek gezet om meteen de toon te zetten? In C mineur en G majeur?
Ik kom daarop door het volgende.
Na die verloren Brother in me weer aan onze borst te hebben gedrukt en toen we de smaak van reprises te pakken hadden, begonnen we vol goede moed ook maar weer eens Lasciate mi morire, dat eerste deel van de vijfstemmige klaagcyclus van Monteverdi.
Eerder deden we dat in een nogal hoge toonzetting, dit keer wilden we het eens proberen met een aanzienlijk lagere. Voorlopig geen concerten, alle tijd om eens lekker te experimenteren en te ontspannen. Die lage setting blijkt veel comfortabeler.

De vraag rees wat mooier is: een hoge of lage klaagzang. En daarmee ook de vraag: wat is belangrijker, lekker zingen of mooi zingen? Mijn antwoord op die laatste vraag is: hoe lekkerder je zingt hoe mooier het klinkt. Dat beweer ik bij hoog en bij laag.
Lijden leidt volgens menigeen tot schoonheid. Geen kunst zonder lijden. Geen verheven meesterwerken zonder afzien op een koude tochtige zolderkamer in een dikke trui en bij de eeuwige potkachel. Hoge kwaliteit vereist een flinke dosis pijniging.

Echt waar? Welnee! Geen diepgang zonder verschrikkelijk diep te zijn gegaan? Mooi niet, zo klinkt mijn lied. En heeft het lijden van Leiden indertijd tot iets moois geleid? Nou dan.
Klagen kan in allerlei toonaarden en zowel eenzaam bij een potkachel als met zijn allen gemengd bij het kampvuur: brandend.

donderdag 13 oktober 2011

Kunnen mannen zingen ?





Een cursus ‘OOK voor mensen die denken niet te kunnen zingen en mannen’.

Aha, weer een zangcursus. Altijd op zoek naar iets leerzaams op zanggebied viel mijn oog op deze opmerkelijke en raadselachtige advertentie. Waarom die toevoeging ‘en mannen’?
Met mijn simpele mannenverstand zie ik maar een zeer beperkt aantal mogelijkheden:

  1. Hij of zij beschouwt mannen niet als mensen.
  2. Er bestaan geen mannen die denken niet te kunnen zingen. Eenvoudiger gesteld: alle mannen denken te kunnen zingen. Dat OOK roept de vraag op wie de adverteerder, behalve ‘mensen die denken niet te kunnen zingen’ en ‘mannen’ nog meer als doelgroep beschouwt. Vrouwen of mensen die denken te kunnen zingen?
  3. Mannen zijn wezens die (nog) niet kunnen zingen, maar dat wel kunnen leren, net zoals mensen.

Ik vermoed zo dat de opsteller van de advertentie een vrouw is, die het hartgrondig eens is met alles wat ik hierboven opper. Nou, dan wil ik wel eens het naadje van haar kous weten.
Beste adverteerder, verklaar u nader. Laten we er een eerlijke, open discusssie van maken.

  1. Zijn mannen geen mensen? Daar is iets voor te zeggen, voorbeelden te over, uit alle tijden. Als een man geen mens is, is een mens dus geen man. Als we zeggen ‘moet je dat mens daar zien’, ‘mens, hou toch op’ of - zoals Pim Fortuyn iemand toebeet - ‘ach mens, ga toch koken’, hebben we het altijd over of tegen vrouwen, nooit mannen. Mens, doe niet zo hysterisch. Wat een geweldig mens, wat een heerlijke vrouw. Heb je gezien hoe dat mens haar man behandelt? In onze moedertaal zijn mensen altijd vrouwen.

Bij de Engelsen ligt dat anders. Met ‘Man’ bedoelen ze zowel de man als (de) mens. Maar Engelsen zijn natuurlijk zonderlingen. Ze rijden aan de verkeerde kant van de weg en kunnen nauwelijks tot tien tellen. Ik neem ze niet serieus, dat doen ze zichzelf ook niet.

Misschien stel ik het te absoluut. De mogelijkheid bestaat dat een deel van de mensen zich inmiddels heeft ontwikkeld tot man en dat er dus wel degelijk menselijke mannen bestaan.
Wij zangers – vrouwmensen en manspersonen – kunnen allemaal het slotkoor van de Negende Symfonie van Beethoven zingen en wat zingen we dan?
Juist: Alle Menschen werden Brüder. Het komt allemaal goed met de ontwikkeling van de mensheid, ook de zingende. Vrij naar Schiller en Pim Fortuyn zing ik: Ach mens, word toch broeder!

Punt 2: Alle mannen denken te kunnen zingen. Nou neu. Als je het alle mannen vraagt zal de overgrote meerderheid zeggen: ik kan niet zingen. Ook als ze beter weten. Ze dekken zich in. Probeer maar eens. Verder hoor ik aan het zingen van mannen vaak dat ze niet kunnen denken. Hoe kunnen ze dan denken dat ze kunnen zingen, vraag ik me af.

Punt 3: Mannen zijn wezens die (nog) niet kunnen zingen, maar dat wel kunnen leren.
Er zijn voorbeelden van mannen die het al kunnen, een enkele man kan het alsnog leren. Van de meerderheid van de mannen is bekend dat ze hardleers zijn (nog erger dan vrouwen). Wie weet is die cursus voor hen wel geknipt. Een stoomcursus en praktisch, zoals de advertentie vermeldt. Absolute voorwaarden voor mannen om iets te leren. Dat moeten ze dan wel willen.
Ach man, ga toch zingen.


dinsdag 2 augustus 2011

PENSION AAN ZEE

Het is zover, na een jaar of zestig, vijfenzestig. We, acht paren (‘pensioneren doe je samen’) beginnen aan de driedaagse cursus ‘Pensioen in Zicht’. Georganiseerd door bureau Odyssee, in een hoogzomers Bergen aan Zee.

Geholpen door kartonnen bordjes slaan we veertien namen op, waarna we in tweetallen – bepaald door het lot – uiteengaan. We ondervragen elkaar over arbeidsverleden, liefhebberijen, plannen en verwachtingen. Bedoeling is om, terug in de groep, een treffend en waarheidsgetrouw beeld te schetsen.
Ik tref Bert - stevig, open en goedlachs - die graag van wal steekt. MTS-bouwkunde. Werkt nog fulltime met plezier bij een woningbouwcorporatie. Stopt binnenkort uit zichzelf (lijkt me niet te stoppen door een ander). Wil graag eigen baas zijn. Samen met Trudie. Zij wil niet langer dan drie weken weg bij de kleinkinderen, hij liever drie maanden. Hun compromis is zes weken.
Ik schets Bert als ‘Levensgenieter: toen, nu en in de toekomst’. Zijn waardering is een ‘negen’ voor mijn ‘prima verslag’.
Mijn eigen verhaal gaat over mijn passie voor zingen, liefde voor taal en het verlangen meer te gaan schrijven; ik zeg dat ik schrijven zie als een ambacht.
‘Rob houdt van taal en ambachten’, vat de bouwkundig opzichter het samen.
‘Klopt dat een beetje, Rob?’, vraagt cursusleider Daan.
‘Ja, dat klopt aardig. Eén kleine correctie: ik beschouw schrijven vooral als een ambacht, maar ben verder niet zo ambachtelijk ingesteld.’
We zijn aardig voor elkaar.

De volgende ochtend strijken we voor het ontbijt neer in de zonnige serre. Die is niet voor ons. ‘Voor alle mensen van de cursus Pensioen in Zicht zijn plaatsen gereserveerd daar achter in de zaal’. Ach ja - denk ik - natuurlijk: die ouwetjes zet je gewoon bij elkaar, ze knoeien zo, vooral met croissantjes. Kunnen ze alvast wennen. Pensioneren is vooruitzien.

‘Neem zelf de regie’ was de mantra van de parmantige huisarts die ons allerlei verboden en gevaren kwam inprenten. Hij hoorde zichzelf graag lang vertellen. Over zijn cardiologische omleidingen, de zegeningen van de techniek waardoor hij nog leefde. En zag hij er niet nog goed uit? ‘Eenenzeventig, mensen!’ Fit genoeg voor een hoorcollege van drie uur.
Dat wij onze gezegende leeftijd hadden bereikt lag vooral aan …? ‘Juist, allereerst door de pest en de pokken eronder te krijgen.’ Maar er is nog volop levensgevaarlijks: cholesterol, hoge bloeddruk … Hij dendert door. ‘Pas op met veel drop. Suïcidaal!’. En geen zout! Theedrinkers waarschuwt hij voor een overdosis zoethout. Koffie mag gerust (hè hè, zucht, even lucht). Alcohol is rampzalig. Vooral dat coma zuipen tegenwoordig. Niet doen, ook niet bij een zwart gat.
Vitaminen? D is belangrijk. Daarvoor zorgt vooral de zon. Kijk maar naar al die buitenlandse vrouwen met die O-benen. Te weinig zon. Teveel kleren om die benen, te veel binnen gezeten. Is niet goed met een donkere huid. Hoezo racistisch, dat rachitisverhaal? Ik kijk rond en zie hoe autochtoon we er met zijn zestienen uitzien. Gezond door de zon. Hoe bruin kan een blanke zijn?

Een journalist van het Financieel Dagblad woont een dagdeel bij. Zijn artikel zal niet zozeer de financiële kant belichten, maar de mens achter de pensionado.* Het verbaast hem dat niemand het zwarte gat lijkt te vrezen, maar uitziet naar genieten in vrijheid. Hij zou het gat tijdig dichten met commissariaten.

De avond dat een notaris komt vertellen over erfrecht en hypotheken nemen we vrij, voor een lange zomeravond aan zee. Genieten. Zo schitterend zag ik de zon nog niet ondergaan. Turende over de zee verandert mijn tijdsbesef, of de tijd valt stil. Dit is de essentie van de cursus. Perspectief is niet zozeer een vast vooruitzicht, maar eerder stilte waarin alles kan gebeuren en in beweging is en verleden en heden samensmelten.
Over het strandpad komen de eerste mede-cursisten.Twee voor twee lopen ze naar zee. De zon is onder. We zien hun silhouetten. Grote Tjeerd en Emmy, Koos en Andries, de anderen. Bij de strandlijn slaan Johan en Ada resoluut rechtsaf, noordwaarts. Lonkt er een nieuw gezamenlijk perspectief? De anderen voegen zich samen, als silhouetten in dit schemeruur. Winnie en Barend gaan nu zuidwaarts.
Winnie duidelijk voorop (zij heeft ‘het beheer’) met Barend op enige achterstand. Is hij altijd zo volgzaam? Zal dat zo blijven? De anderen volgen.
Daar, aan de strandlijn, bewegen zich mensen met pensioen in zicht. In het late licht vallen ze samen met de bruisende grijze golven. Ze zijn gekomen en gaan weer, met de getijden.

Inmiddels terug in de sportschool. De lopende band valt me zwaar vandaag. ‘Let it be’, zingt Paul McCartney me bemoedigend toe. So be it.

Rob Vlasblom

*Frits Conijn. ‘Lekker genieten’ blijkt behoorlijk ingewikkeld. Financieel Dagblad, 9 juli 2011, p. 34-35.

dinsdag 21 september 2010

PLUSMAXUS

Goedemorgen Nivo en Xingvoetvolk,

Een nieuwe aanpak, een nieuw geluid. De prikkelende stemoefeningen van ons Diri beginnen hun vruchten af te werpen, en dan heb ik het nog niet eens over die vallende cactus (herfst bij de bovenburen, was halten Sie davon?). Met welk een frisse klank bezongen we de seizoenen van mens en natuur. Indrukwekkend vooral dat slotlied van Mahler & Witte, zo stemmig gearrangeerd door Jansen. En meerstemmig, volgens de muzikale doelstelling van ons koor. Het 't gehele jaar bestrijkende Gedicht van land en tuinbouw klonk verrassend eenstemmig, volgens het beginsel van 'samen soleren' van de smaakmakende reeks workshops onder die naam.


Xing, dat inmiddels alweer heel wat jaren als een volrijp koor aan de weg timmert, klonk verrassend jong en ik voelde me trots als een koorknaap hieraan te mogen bijdragen. De frisse toon is gezet voor een veelbelovend seizoen. Oh happy monday.

Hoe anders was het me te moede op de zondagmiddag, middenin het geweld van 50-plussers. Daartoe uitgenodigd door een bevriende galeriehouder en met het oog op een ondernemende en arbeidzame toekomst van de vrouw togen wij blijmoedig naar de Utrechtse Jaarbeurs, voor mogelijk nuttige contacten met de doelgroep van boven de vijftig, de kijkers naar Max en lezers van Plus, zij die de seizoenen hunner levens in beeld willen krijgen.


Nooit zoveel 50-plussers bij elkaar gezien. Dat begon al in Utrecht Centraal, waar aan de jaarbeurszijde een meute plussers ons tegemoet kwam. Zolang die opgaan in de gewone bevolking - zoals in de Middeleeuwen de hoogbejaarden - is dat allemaal nog wel te doen, dan mengt zich dat wel, maar al die 50-plussers bij elkaar, die hele massieve doelgroep met tasjes van zorginstellingen en stapels folders van creatieve cursussen. Aai. Oef.

Buiten, op weg naar de Plusmaxhal, zat langs de straatkant een stelletje Roma met de Franse slag wat muziek te maken. Er klonken Italiaanse evergreens (Volare, Marina, Berlusconi), en iets dat een beetje leek op De Amsterdamse Grachten. Dat past goed binnen de Europese Unie. Ook klonk er een geheel nieuwe versie van Hava Naguila. Dat lijkt me een grensgeval, maar omdat Israël ook meedoet aan het Eurovisie Songfestival en de Europese voetbalcompetitie kan het nog wel. Niets Roemeens of Bulgaars, want daar zit de Nederlandse 50-plusbeursganger niet op te wachten. Ook trouwens niet op die marginale zigeunermuzikanten, was mijn indruk.


Het klonk dan ook allemaal wel erg weinig geïntegreerd. Niet iets waar zigeunergitaristenvirtuoos Django Reinhardt zijn drie vingers bij af zou likken.

Het stemde me triest dit te zien en horen. Wat een contrast met dat tweetal verraste toehoorders bij een kwartet professionele Purcellzangers in een rustiek Frans kerkje, ver van het Utrechtse Romadrama in de marge van een kudde Plusmaxers.

Ziet iemand nog wel eens dat aandoenlijke zigeunerjongetje met die traan ergens aan de muur? Ik al heel lang niet meer. Een teken aan de wand.

'Ik kan er geen traan bij laten', hoorde ik onlangs een soort Nederlandse Sarkozy mompelen.

Spiel Tzigane! Aven. Die Roma en die Sinti, ik ben daar nog niet mee  klaar.

Binnenin de Plusmaxhal wurmen we ons langs de stands van stichtingen voor al die 50-plussers die ongelukkig lopen, zitten, liggen of staan, of die ongelukkig ademen of denken of in toenmende mate ongelukkig terugdenken. Jonge werkstudenten huppelen ons tegemoet en confronteren ons plussers met onze minpunten. In een hoek van Hal 10 bereiken we gelukkig de oase, de prachtige en smaakvolle stand van Galerie in de Kerkstraat. Wat een rust en wat een fraaie kunst. De tijd stond even stil.

Vanaf de vorstelijke Keizersgracht wens ik jullie op Prinsjesdag een goede week. Weest op je vierkante meter een vorst. Xinger, durf te leven, koninklijk of republikeins (als ik moest kiezen tussen koningin Beatrix en president Sarkozy ... et: si j'étais président de la République ...).

Hartelijks, aven de Roma,

Rob.

zondag 12 september 2010

Strotteren

Wat een avontuur weer. Onze Diri is weer bijgeschoold en wij zullen het weten. Bij Tante Jo Estill, die twintig jaar geleden aan de slag ging met afzonderlijke stemsegmenten. Met een medisch apparaatje was vertoond hoe een zingende operazanger zijn strottenhoofd gebruikte en over allerlei spiertjes bleek te beschikken en daardoor heel wat meer mans bleek dan vroeger van zangers werd gedacht.


Ik zag Maarten verbijsterd kijken. Had hij dat als huisarts eerder geweten, dan had hij al die patiënten niet doorverwezen naar de KNO-arts. Strottenspiertjes, ja, moet je ook maar weten.
Wij hebben meteen alles uitgeprobeerd en het bleek reuze eenvoudig. Voor we het wisten zaten we helemaal subgutturaal, goed diep dus, bij een soort strottenonderbuiksgevoelens. We deden de drie standen: 1. de gewone stem (gewoon mooi zingen, zoals Esther dat graag doet), 2. samenknijpen van de stembanden, het belasten van de stem om elders iets te ontlasten en 3. de brede bekstand, die een gevoel van stevigte geeft. Daarbij oefenden we meteen een beetje twang.
Twang? Ja, twang. Dat is een heel krachtig gebruik van de stem. Oorspronkelijk als strijdkreet gebruikt door Noord-Amerikaanse Platvoetindianen, overgenomen door countryzangers in Nashville Tennessee en brullende rocker Bruce - Born in the USA as well - Springsteen en Tante Jo - ook born in the USA - Estill.
Net zoiets als belten. Belten? Ja, belten. Niet alleen die rauwe Amerikanen zijn meesters in stemverheffing, ook bij de Bundeswehr waren schreeuwtechnieken zeer in trek. Daar leerden ze blaffen of belten als Duitse herders. Zoals Duitse herders kunnen belten zou ik het ook wel willen kunnen.

Deze etnomusicologische verkenningen monden uit bij onze diri en de Xingers met overrijpe stembanden. Met twang en belten probeert zij onze ouder wordende stem weer kracht bij te zetten. Daar komt het uiteindelijk allemaal op neer.

Het gaf me voor de zomerstop al te denken dat mijn zangleraar, als oorpronkelijk logopedist enigszins ingewijd in deze materie, mij af en toe eens flink liet twangen. Nogal slapjes en krachteloos zong ik hem een Bulgaars lied voor, van mijn Medeklinkersrepertoire. Zo in mijn eentje in zijn kleine werkkamer was ik nog wel te horen, misschien klonk het nog wel mooi ook, je weet het niet, maar hij vond dat ik wel wat blerkracht achter de hand mocht hebben. 'Doe maar alsof je een Bulgaarse bas bent die nog hoorbaar moet zijn bij het beltgeweld van een bos Bulgaarse zangeressen'. Je kent ze wel, die schril gekeelden. Behalve het opzetten van een grote bek moest ik ook alle kracht van mijn neusschotten in de strijd werpen. En ja zeg, wat een geweld uit mijn KNO-regio, wat een spierballenvertoon aldaar. Oorverdovend. Mooi was anders, maar het is goed te weten dat ik ook brulspieren heb om op terug te kunnen vallen.

Als vrouwen gaan belten moet een man - zeker als hij oude slappe stembanden heeft - op zijn tijd daar een stevige twang tegenover zetten, zeker in de laagte. Luister maar eens hoe Bulgaarse bassen dat aanpakken, Xingbroeders.
Zo blijft er door de bijscholingen van diri altijd hoop. Xingen met de voice of Estill. Joepie! Hernieuwde Xingpower.

Ook leuk en leerzaam zijn altijd de te zingen verzoeknummers. Menigeen weet het verlangde lied nog wel een beetje te reproduceren, bij anderen is het meer de maxi playback show. Judith blijkt maar liefst minstens honderd duizend liederen niet te kennen. Na Purcell houdt het voor haar wel zo'n beetje op.

Cent mille chansons ... wie kent er nog de woorden van dat prachtige lied? Van ons Xingers praktisch niemand meer. Spontaan ging ik over in de Little Night Music van Stephen Sondheim ('Send in the clowns'), dat daar verdacht veel op lijkt. Elke kent het van Barbara Streisand, ik van Petra en Frank - the Voice (zonder Estill) - Sinatra.
Wat een prachtig lied, er komt geen twang of belten aan te pas. Gewoon de glimlach van een zomernacht.

vrijdag 30 juli 2010

Bespiegelingen in het zonnebad


Ik wilde schrijven over de Koude Oorlog; via het boek ‘Help, de Russen komen’ zit ik er weer middenin. Vreemde oorlog, zonder verhitte strijd en beëindigd zonder staakt het vuren. Ik ervaar weer de ijzige en dreigende sfeer van anti-Russische stemmingmakerij en onheilstijdingen uit mijn jeugd, waarin mijn vader als communist verhitte discussies aanging met ooms die de sociaal-democratie of nog erger aanhingen. Ik was op zijn hand, want niets menselijks was de jongen die ik was vreemd en ook voor mij was vader mijn held. Wij waren duidelijk een minderheidsgroep.
Ik kom uit de kast, misschien als outcast: ook ik was communist. Lang geleden, dat wel. Een jeugdzonde, zoals de Castro-verering van Harry Mulisch? Erfzonde? Nog steeds lijkt het beter daarover te zwijgen.

Ik had willen schrijven over dat prachtige boek van Peter Høeg: ‘Smilla’s gevoel voor sneeuw’, waarmee ik een warme Zuid-Franse zomervakantie lang het hoofd koel wist te houden. Ik smulde van Smilla, maar Høeg is dan ook een meeslepend en beeldend auteur. Het boek speelt voornamelijk in Groenland, waar allerlei duidelijk van elkaar te onderscheiden soorten sneeuw voorkomen. Høeg maakt ze voelbaar, zoals Süskind met woorden parfums doet geuren. Verfrissende literatuur. Sla al die columns maar over en lees een goed boek, zoals dit.

Over coalitiegepuzzel wil ik niet schrijven. Word ik niet warm of koud van. Het zal wel uitdraaien op een zevenpartijenkabinet, met gedoogsteun van wie daar nog buiten valt.

Wel verhit raakte ik bij het bericht dat Desi Bouterse de uitverkoren president was van Suriname. ‘Gangster, moordenaar, drugscrimineel’ hoorde ik mezelf sissen. Maar, vroeg ik me – verbaasd over eigen felheid – af: waarom zou ik als Nederlander zo’n toon moeten aanslaan tegen dit toch democratisch gekozen heerschap? Een enge man, dat wel, maar waarom me zo opwinden over het leiderschap van iemand die betrokken is bij slechts een moord of vijftien en zich lekkerder voelt bij cocaïne dan bij bauxiet? De halve wereld wordt bestuurd door lieden met een vergelijkbare staat van dienst.
Decembermoorden? Alweer 28 jaar geleden. Bouterse heeft onlangs nog zijn excuses aangeboden voor deze jeugdzonde.
Wie ben ik - inwoner van een land waar men zich vooral druk maakt om bezuinigingen - om mijn vingertje uit de dijk te trekken en beschuldigend te heffen naar mijnheer de president van Suriname. Tja, zo’n cocaïnelijn, dat mag natuurlijk niet, het trekt boefjes aan, maar onze Betuwelijn dan? Al die duistere doorvoer daarover van levensgevaarlijke stoffen voor mijn neus? Geen lijntje om te snuiven.

En toch: Bouterse president? Witheet was ik. Voor één keer stond ik aan de kant van Maxime Verhagen. Maar waarom? Suriname is ver, ik heb er geen wortels en ik ken het niet. De meerderheid van de Surinaamse kiezers, lees ik, heeft democratisch voor Bouterse gekozen. Vooral jongeren stemden Bouterse: een collectieve jeugdzonde? Suriname toch. Wat lees ik nog meer? Een meerderheid van de Nederlandse stemgerechtigden voelt wel iets voor een regering van Wilders en kornuiten, VVD en CDA: een volwassen zonde!

Democratie is de politieke staatsvorm waarbij nagenoeg het gehele volk aan de collectieve besluitvorming deelneemt. Toegegeven, ik was er jaren voorstander van, maar met de kennis van nu zou ik er natuurlijk niet meer voor kiezen.

Rob Vlasblom

zaterdag 27 maart 2010

VROEGER LAAT

Vannacht wordt het weer vroeger laat. We moeten weer een uur teruggeven, of krijgen we er door de langere avond één bij? Voor velen altijd een puzzel maar voor mij al heel lang een weet. Voor ezels die niet zonder bruggetje kunnen: het is ineens een uur later, ’s morgens, maar ook ’s avonds. Eigenlijk de hele dag door, maar dat maakt het misschien weer ingewikkelder.

De lentetijd – alle klokken een uur vooruit en wat daarvoor zit een uur naar achteren geschoven (maar niet dubbelop hoor!) – dateert van vroeger, namelijk mijn kindertijd. Kort voor mijn geboorte is landelijk de lentetijd ingesteld, waardoor ik mijn hele leven mijn tijd minstens een uur vooruit ben.
Mijn verjaardag begon altijd een uur eerder, en de spanning over mijn cadeautjes (‘zou ik de nieuwe Sjors en Sjimmy’ – een multicultureel verantwoord stripverhaal over de avonturen van twee vriendjes, zwart en wit – krijgen?) werd vroeger doorbroken.
Bij ons in de familie weet men wanneer de lentetijd ingaat: rond de verjaardag van Rob. Er is geen tijd om daarbij lang stil te staan als je ineens een uur achter loopt.

De lentetijd (geen idee waarom ze het ook wel zomertijd noemen) bestaat na al die jaren nog steeds; tegenwoordig begint mijn verjaardag in heel Europa een uur eerder, van Ier- tot Griekenland. Een mooi idee dat tegenwoordig de hele westerse beschaving, de Oude Wereld, daaraan meedoet.


Ik mag nog steeds mijn Sjors en Sjimmies (nee, dank, liever geen antirimpelcrème, hoe aardig ook bedoeld) een uur eerder uitpakken en lieve gelukwensen in ontvangst nemen. Het kind in mij is dan weer even blij. Maar meer dan toen besef ik dat ik een uur eerder oud word.
Nou ja, ach, dat ene uurtje, dat moet je ruim zien. Bij momenten van melancholie vind ik troost bij de Relativitijdstheorie van Albert Einstein. Toen een bedroefde student de oude Einstein aan diens sterfbed zei de tijd een uurtje terug te willen zetten sprak deze vaderlijk als zijn bijna laatste woorden: ‘Ach jongen, het is allemaal zo betrekkelijk.’ ‘Als je haar maar goed zit’ voegde hij er nog met een glimlach aan toe met zijn laatste adem. De tijd stond even stil, alsof hij nooit had bestaan.

Het is rond mijn verjaardag, laat de lentetijd maar ingaan, laat ons maar eerder wakker worden, de kriebels krijgen en ons verheugen op lange zwoele zomeravonden. Het eerdere uur is bijna geslagen.