zaterdag 28 april 2012

Welkom bij de columns van Rob Vlasblom

Rob Vlasblom, bekend voormalig galeriehouder te Arnhem, zingt o.a. bij het Arnhemse koor Xing o.l.v. Elke Jansen. Vrijwel iedere week verschijnt na de repetitiedag per e-mail een column van Rob.
Deze columns zijn zozeer de moeite waard (Rob is ooit columnist geweest bij een bekend landelijk dagblad, en schreef veel voor diverse tijdschriften en boeken) dat Elke heeft voorgesteld ze te verzamelen en bereikbaar te maken vanuit de weblog van het koor Xing.

Zo gezegd, zo gedaan: hieronder vindt je keurig op datum de columns van Robs hand.

Rob tijdens een column/performance (we kennen die nog van Johny de Selfkick in de zestiger jaren) omringd door cheerleaders.

Terug naar website van Xing.

donderdag 5 april 2012

EK VOETBAL: CONFECTIEKEURSLIJF IN ORANJE

Herinneringen aan een betere voetbalwereld

Het naderende Europees Kampioenschap Voetbal werpt zijn schaduw al vooruit.
Bij mede-organisator Oekraïne wemelt het van de mazelen en hepatitis A, melden epidemiologen. Wie, zoals ik, voor 1976 geboren is en dus niet ingeënt en nog nooit de mazelen heeft gehad is het devies: vaccinatie. Voor mij een reden om ‘onze jongens’ (van na 1976?) niet op te zoeken in het Oekräiense Charkov, waarheen zij zijn verbannen.



Ik houd het kind in mij graag levend. Dus blijf ik ver weg van zo’n land van kinderziekten, waar ‘we’ met Portugezen, Denen en Duitsers gaan uitvechten wie vervolgens, voor de ‘knock-outfase’, naar Polen moet. Polen, ook zoiets. Eeuwig gemangeld tussen Duitsers en Russen en nu ook geteisterd door Nederlanders met een meldpunt is het zeker beklagenswaardig, maar met alle respect: wat hebben we daar te zoeken behalve klussers voor ons tweede huis of kaskomkommerplukkers?

De lente kleurt in zijn kenmerkende tinten, maar buurtsuper Coöp voegt er al, vooruitlopend op het evenement dat zo dominante oranje aan toe. Voetballiefhebbers of zij die hier voor hun omgeving voor door willen gaan (in juni zullen alle kameleons oranje kleuren) hebben de speelschema’s van het EK al in hun agenda’s gezet of hoofd geprent.
Zo ook de voorzitter van een koor waar ik in zing. Er is een goede reden nog op te treden voor de zomer, met een paar andere koren (oude afspraak), maar ja, het EK voetbal hè. Hij gaat een geschikte datum uitzoeken, met volledige inachtneming van HET SCHEMA; speeltijden en locaties van onze jongens van Oranje kent hij uit het hoofd, zoals grote musicale geesten de partituur van de Mattheus Passion. Alles zal draaien om dat schema. Als onze jongens in Oost-Europa jagen op een goal zal er geen samenzang zijn, behalve op de tribunes waar in koor de engste ziekten worden bezongen en arrangementen vol verwensingen zullen klinken



Wonderlijk toch die overweging: wat weegt zwaarder, het EK voetbal (ver weg van hier) of het korenconcours?
Beide evenementen blijken met elkaar in een concurrentieslag te zijn verwikkeld en zelf ben ik hierdoor ook verschrikkelijk verdeeld. Niettemin slaat mijn innerlijke weegschaal (die schommelt wat af) duidelijk door naar ons gezamenlijk korenconcert.
Ik heb de voors en tegens van beide evenementen eens gewogen en geanalyseerd. Ooit zou ik zo’n voetbaltoernooi ook hebben verkozen boven een korenconcert. Maar dat was vroeger. Vroeger was misschien niet alles beter, maar wel het voetbal! De voetbalwereld was mooier en nog overzichtelijk. Het eerste EK voetbal in 1960 was een toernooi van slechts vier landen. Dat was genoeg Europa.

Let wel, ik ben ervaringsdeskundige (al een levenlang supporter van de Rotterdamse athletiek-, honkbal- en voetbalclub Sparta; nou, dan ben je een volhouder hoor). De nog levendige jeugdliefde voor deze prachtclub deel ik met Jules Deelder; samen waren wij getuige van een legendarische wedstrijd van ons Sparta op een zondag eind jaren vijftig, die hij en ik ons herinneren als de dag van gisteren. Hij schreef er al eens over in de Nieuwe Revue, ik al eerder een opstel voor school. Hoofdrolspelers: 1. de Amerikaanse seksbom en actrice Jayne Mansfield, die de aftrap zou verrichten; 2. de onlangs overleden, dus toch sterfelijke, Zwarte Panter, Frans de Munck, die het doel van DOS uit Utrecht verdedigde, een donkere charmeur met Zeeuwse, dus ook Spaanse, wortels, die ook wel eens in een film heeft gespeeld en zich hoe dan ook in zijn element voelde bij deze erotiserende toevoeging aan een potje voetbal op kasteel Spangen en 3. de stopperspil van Sparta, ‘ijzeren’ Rinus Terlouw, normaal een rots in de west-Rotterdamse branding, maar nu geheel ontregeld.



Met prachtige panterachtige snoekduiken plukte glamourboy Frans de Munck de Spartaanse kanonskogels uit de verste hoeken van zijn goal, om vervolgens als een haan de blik van de volop voluptueus gevormde la Mansfield te zoeken. Een sportman die niets dierlijks vreemd was.
Sparta viel volop aan maar wist de Zwarte Panter, die de wedstrijd van zijn leven kiepte, slechts één keer te passeren.
Rinus Terlouw, de doorgaans zo onpasseerbare Spartaanse stopperspil was die middag echter geen schim van de rots en stond voortdurend voor paal (observaties en toespelingen vanuit het typische voetbalpubliek duidden erop dat we dit geenszins spreekwoordelijk moeten opvatten).
Het was eigenlijk al duidelijk bij de aftrap. DOS-aanvoerder De Munck, door de wol geverfd, groeide van de kus die hij met flair van de lippen van Jayne (wie is ooit op het idee gekomen deze Amerikaanse filmster te vragen voor de aftrap van Sparta – DOS; toch Deelder nog eens naar vragen). Spartacaptain IJzeren Rinus daarentegen was duidelijk in totale verwarring door de ook hem toegebrachte seksbommenkus. Een bom die insloeg. Je zag de rots een totale metamorfose ondergaan.
De afloop was meteen voorspelbaar. Sparta- DOS: 1 – 7. DOS-spits Tony van der Linden – zes doelpunten - had geen kind aan ijzeren Rinus en vazallen.
Met het inlevingsvermogen van een - toen – tienjarige jongen leefde en leed ik mee met Rinus, maar verplaatste me tegelijk in de Zwarte Panter. Voor een middag was ik even Frans de Munck, dat sierlijke roofdier, die de sterren uit de hemel plukte om diepe indruk te maken op een uit de VS overgevlogen film-Venus.

Waarmee ik maar wil zeggen dat ik behalve met film ook iets met voetbal heb. En dat het dus heel wat is dat ik, als het erom gaat, kies voor een korenoptreden en het EK daarvoor, als het schema voor mij geen speelruimte biedt, aan mijn oranje neus voorbij laat gaan. Ja, ik heb wel karakter hoor.
Het punt is: wedstrijden als hierboven beschreven zie je niet meer. Alles wat er aan voetbalmatches nog valt te zien zal voor mij een slap aftreksel zijn van Sparta – DOS indertijd, zoals dat ook voor Deelder zal gelden (en Hugo Borst, ook Spartafan, die zie je niet voor niets nauwelijks nog op tv).

Zojuist las ik de ledencijfers van de KNVB en geregistreerde aantallen koorzangers. Een kunstredacteur van Dagblad De Gelderlander mailde me:
‘Zover ik heb kunnen nagaan, is zingen weliswaar de grootste hobby van Nederland, met 600.000 beoefenaars, maar niet groter dan voetbal – de KNVB heeft 1,25 miljoen leden. Voor zover ik weet heeft het onderzoek naar de grootste hobby van Nederland “sport” niet meegenomen, omdat de onderzoekers onderscheid maken tussen hobby en sport.’

Zegt dat niet genoeg? Met een hobby heeft zo’n EK voetbal natuurlijk niets meer te maken. Zingen daarentegen is nog steeds iets om lief te hebben en zangers zijn ook nog eens sportieve lieden.

En toch, als Nederland op 9 juni om 18.00 uur Charkovse tijd aftrapt tegen Denemarken kunnen onze jongens op me rekenen en zal ik alleen nog van Hen zingen. Als tenslotte op 1 juli in Kiev om 22.30 uur het laatste fluitsignaal klinkt bij de door Nederland van Spanje gewonnen finale zing ik het hoogste lied. De koning van Hispanjen zal ik honen met de schrilste dissonanten die ik kan voortbrengen, maar Koning Voetbal zal weer heersen en voor Hem zal ik mijn stem verheffen. En Frans de Munck, Jayne Mansfield en Rinus Terlouw zullen weer even opstaan uit hun graf. Voetbal zal weer voor even legendarisch zijn. Ik zal hen bezingen, in koor. En het schema houd ik nauwlettend in de gaten.

Rob Vlasblom
April 2012

maandag 23 januari 2012

STEMVERHEFFING EN POTKACHEL

De kerstbomen zijn koud de deur uit, de engeltjes en loftrompetjes weer in hun doos, of mijn koor Xing haalt Jezus al weer van stal.
We gaan weer aan de slag met Brother in me, een geraffineerde en hilarische collage van fragmenten van gospelsongs en liederen uit musicals en films over vooral het personage Jezus van Nazareth. Ingenieus plak- en knipwerk voor vier stemmen van de tekst- en toondichter Wilbert Friederichs.
Het koor had zich al eerder aan deze Brother in ons gewaagd en er zelfs mee opgetreden voor een stampvolle zaal in de Arnhemse Koepelkerk - het Carré voor amateurkoorzangers - maar de puzzelstukken wilden nog niet goed passen en koor en arrangement vielen enigszins uit elkaar.
‘Te hoog gegrepen’, mompelden eeuwige betweters voorspelbaar en een harde kern van azijnpissers stelde zelfs dat het koor zich had ‘vergrepen aan de Lord en Friederichs muzikale hoogstandje’.
Zo belandde Brother in zijn verdomhoekje, om daar kort na kerst bij de nieuwjaarsrepetitie alweer uit te komen, tot mijn grote blijdschap. Ik ben blijven geloven in zijn terugkeer. Het was een Messiaanse avond.



Na 2.000 jaar nog steeds het hoogste woord, door vele monden, met vele stemmen, uit vele kelen, vooral ook van veel zangers. Hoe zou de stem van deze Nazarener zelf hebben geklonken? Wie weet wel als die van Monty Pythons Graham Chapman in Life of Brian of als een van de hoofdrolvertolkers in Jesus Christ Superstar of Weinachtsoratoria.
Zouden wetenschappers dit ooit eens op het spoor komen?
Dat Hij zijn stem kon verheffen weten we van zijn tirades tegen de wisselaars in de tempel. Ik stel me een krachtige tenor voor. Niet als Placido Domingo, maar spichtig en driftig.
Bij Mozes, ook nadrukkelijk aanwezig in Brother en gospelheld van het eerste uur, denk ik daarentegen aan een diepe bas. Zo’n stentorstem die dendert en dondert uit de diepte wanneer hij zijn beklag doet: Let my people go!

Jezus noch Mozes zal zich hebben afgevraagd of hij wel de juiste toon aansloeg. Toorn zette de toon bij hun luidkeelse protesten. Monteverdi (pseudoniem van Arnon Grunberg) was nog niet geboren, ik vraag me zelfs af of er al een notenschrift was en of deze Heren van het Oude en Nieuwe Testament wel eens iets aan solfege hadden gedaan. Zijn de Tien Geboden en de Evangeliën niet meteen op muziek gezet om meteen de toon te zetten? In C mineur en G majeur?
Ik kom daarop door het volgende.
Na die verloren Brother in me weer aan onze borst te hebben gedrukt en toen we de smaak van reprises te pakken hadden, begonnen we vol goede moed ook maar weer eens Lasciate mi morire, dat eerste deel van de vijfstemmige klaagcyclus van Monteverdi.
Eerder deden we dat in een nogal hoge toonzetting, dit keer wilden we het eens proberen met een aanzienlijk lagere. Voorlopig geen concerten, alle tijd om eens lekker te experimenteren en te ontspannen. Die lage setting blijkt veel comfortabeler.

De vraag rees wat mooier is: een hoge of lage klaagzang. En daarmee ook de vraag: wat is belangrijker, lekker zingen of mooi zingen? Mijn antwoord op die laatste vraag is: hoe lekkerder je zingt hoe mooier het klinkt. Dat beweer ik bij hoog en bij laag.
Lijden leidt volgens menigeen tot schoonheid. Geen kunst zonder lijden. Geen verheven meesterwerken zonder afzien op een koude tochtige zolderkamer in een dikke trui en bij de eeuwige potkachel. Hoge kwaliteit vereist een flinke dosis pijniging.

Echt waar? Welnee! Geen diepgang zonder verschrikkelijk diep te zijn gegaan? Mooi niet, zo klinkt mijn lied. En heeft het lijden van Leiden indertijd tot iets moois geleid? Nou dan.
Klagen kan in allerlei toonaarden en zowel eenzaam bij een potkachel als met zijn allen gemengd bij het kampvuur: brandend.

donderdag 13 oktober 2011

Kunnen mannen zingen ?





Een cursus ‘OOK voor mensen die denken niet te kunnen zingen en mannen’.

Aha, weer een zangcursus. Altijd op zoek naar iets leerzaams op zanggebied viel mijn oog op deze opmerkelijke en raadselachtige advertentie. Waarom die toevoeging ‘en mannen’?
Met mijn simpele mannenverstand zie ik maar een zeer beperkt aantal mogelijkheden:

  1. Hij of zij beschouwt mannen niet als mensen.
  2. Er bestaan geen mannen die denken niet te kunnen zingen. Eenvoudiger gesteld: alle mannen denken te kunnen zingen. Dat OOK roept de vraag op wie de adverteerder, behalve ‘mensen die denken niet te kunnen zingen’ en ‘mannen’ nog meer als doelgroep beschouwt. Vrouwen of mensen die denken te kunnen zingen?
  3. Mannen zijn wezens die (nog) niet kunnen zingen, maar dat wel kunnen leren, net zoals mensen.

Ik vermoed zo dat de opsteller van de advertentie een vrouw is, die het hartgrondig eens is met alles wat ik hierboven opper. Nou, dan wil ik wel eens het naadje van haar kous weten.
Beste adverteerder, verklaar u nader. Laten we er een eerlijke, open discusssie van maken.

  1. Zijn mannen geen mensen? Daar is iets voor te zeggen, voorbeelden te over, uit alle tijden. Als een man geen mens is, is een mens dus geen man. Als we zeggen ‘moet je dat mens daar zien’, ‘mens, hou toch op’ of - zoals Pim Fortuyn iemand toebeet - ‘ach mens, ga toch koken’, hebben we het altijd over of tegen vrouwen, nooit mannen. Mens, doe niet zo hysterisch. Wat een geweldig mens, wat een heerlijke vrouw. Heb je gezien hoe dat mens haar man behandelt? In onze moedertaal zijn mensen altijd vrouwen.

Bij de Engelsen ligt dat anders. Met ‘Man’ bedoelen ze zowel de man als (de) mens. Maar Engelsen zijn natuurlijk zonderlingen. Ze rijden aan de verkeerde kant van de weg en kunnen nauwelijks tot tien tellen. Ik neem ze niet serieus, dat doen ze zichzelf ook niet.

Misschien stel ik het te absoluut. De mogelijkheid bestaat dat een deel van de mensen zich inmiddels heeft ontwikkeld tot man en dat er dus wel degelijk menselijke mannen bestaan.
Wij zangers – vrouwmensen en manspersonen – kunnen allemaal het slotkoor van de Negende Symfonie van Beethoven zingen en wat zingen we dan?
Juist: Alle Menschen werden Brüder. Het komt allemaal goed met de ontwikkeling van de mensheid, ook de zingende. Vrij naar Schiller en Pim Fortuyn zing ik: Ach mens, word toch broeder!

Punt 2: Alle mannen denken te kunnen zingen. Nou neu. Als je het alle mannen vraagt zal de overgrote meerderheid zeggen: ik kan niet zingen. Ook als ze beter weten. Ze dekken zich in. Probeer maar eens. Verder hoor ik aan het zingen van mannen vaak dat ze niet kunnen denken. Hoe kunnen ze dan denken dat ze kunnen zingen, vraag ik me af.

Punt 3: Mannen zijn wezens die (nog) niet kunnen zingen, maar dat wel kunnen leren.
Er zijn voorbeelden van mannen die het al kunnen, een enkele man kan het alsnog leren. Van de meerderheid van de mannen is bekend dat ze hardleers zijn (nog erger dan vrouwen). Wie weet is die cursus voor hen wel geknipt. Een stoomcursus en praktisch, zoals de advertentie vermeldt. Absolute voorwaarden voor mannen om iets te leren. Dat moeten ze dan wel willen.
Ach man, ga toch zingen.


dinsdag 2 augustus 2011

PENSION AAN ZEE

Het is zover, na een jaar of zestig, vijfenzestig. We, acht paren (‘pensioneren doe je samen’) beginnen aan de driedaagse cursus ‘Pensioen in Zicht’. Georganiseerd door bureau Odyssee, in een hoogzomers Bergen aan Zee.

Geholpen door kartonnen bordjes slaan we veertien namen op, waarna we in tweetallen – bepaald door het lot – uiteengaan. We ondervragen elkaar over arbeidsverleden, liefhebberijen, plannen en verwachtingen. Bedoeling is om, terug in de groep, een treffend en waarheidsgetrouw beeld te schetsen.
Ik tref Bert - stevig, open en goedlachs - die graag van wal steekt. MTS-bouwkunde. Werkt nog fulltime met plezier bij een woningbouwcorporatie. Stopt binnenkort uit zichzelf (lijkt me niet te stoppen door een ander). Wil graag eigen baas zijn. Samen met Trudie. Zij wil niet langer dan drie weken weg bij de kleinkinderen, hij liever drie maanden. Hun compromis is zes weken.
Ik schets Bert als ‘Levensgenieter: toen, nu en in de toekomst’. Zijn waardering is een ‘negen’ voor mijn ‘prima verslag’.
Mijn eigen verhaal gaat over mijn passie voor zingen, liefde voor taal en het verlangen meer te gaan schrijven; ik zeg dat ik schrijven zie als een ambacht.
‘Rob houdt van taal en ambachten’, vat de bouwkundig opzichter het samen.
‘Klopt dat een beetje, Rob?’, vraagt cursusleider Daan.
‘Ja, dat klopt aardig. Eén kleine correctie: ik beschouw schrijven vooral als een ambacht, maar ben verder niet zo ambachtelijk ingesteld.’
We zijn aardig voor elkaar.

De volgende ochtend strijken we voor het ontbijt neer in de zonnige serre. Die is niet voor ons. ‘Voor alle mensen van de cursus Pensioen in Zicht zijn plaatsen gereserveerd daar achter in de zaal’. Ach ja - denk ik - natuurlijk: die ouwetjes zet je gewoon bij elkaar, ze knoeien zo, vooral met croissantjes. Kunnen ze alvast wennen. Pensioneren is vooruitzien.

‘Neem zelf de regie’ was de mantra van de parmantige huisarts die ons allerlei verboden en gevaren kwam inprenten. Hij hoorde zichzelf graag lang vertellen. Over zijn cardiologische omleidingen, de zegeningen van de techniek waardoor hij nog leefde. En zag hij er niet nog goed uit? ‘Eenenzeventig, mensen!’ Fit genoeg voor een hoorcollege van drie uur.
Dat wij onze gezegende leeftijd hadden bereikt lag vooral aan …? ‘Juist, allereerst door de pest en de pokken eronder te krijgen.’ Maar er is nog volop levensgevaarlijks: cholesterol, hoge bloeddruk … Hij dendert door. ‘Pas op met veel drop. Suïcidaal!’. En geen zout! Theedrinkers waarschuwt hij voor een overdosis zoethout. Koffie mag gerust (hè hè, zucht, even lucht). Alcohol is rampzalig. Vooral dat coma zuipen tegenwoordig. Niet doen, ook niet bij een zwart gat.
Vitaminen? D is belangrijk. Daarvoor zorgt vooral de zon. Kijk maar naar al die buitenlandse vrouwen met die O-benen. Te weinig zon. Teveel kleren om die benen, te veel binnen gezeten. Is niet goed met een donkere huid. Hoezo racistisch, dat rachitisverhaal? Ik kijk rond en zie hoe autochtoon we er met zijn zestienen uitzien. Gezond door de zon. Hoe bruin kan een blanke zijn?

Een journalist van het Financieel Dagblad woont een dagdeel bij. Zijn artikel zal niet zozeer de financiële kant belichten, maar de mens achter de pensionado.* Het verbaast hem dat niemand het zwarte gat lijkt te vrezen, maar uitziet naar genieten in vrijheid. Hij zou het gat tijdig dichten met commissariaten.

De avond dat een notaris komt vertellen over erfrecht en hypotheken nemen we vrij, voor een lange zomeravond aan zee. Genieten. Zo schitterend zag ik de zon nog niet ondergaan. Turende over de zee verandert mijn tijdsbesef, of de tijd valt stil. Dit is de essentie van de cursus. Perspectief is niet zozeer een vast vooruitzicht, maar eerder stilte waarin alles kan gebeuren en in beweging is en verleden en heden samensmelten.
Over het strandpad komen de eerste mede-cursisten.Twee voor twee lopen ze naar zee. De zon is onder. We zien hun silhouetten. Grote Tjeerd en Emmy, Koos en Andries, de anderen. Bij de strandlijn slaan Johan en Ada resoluut rechtsaf, noordwaarts. Lonkt er een nieuw gezamenlijk perspectief? De anderen voegen zich samen, als silhouetten in dit schemeruur. Winnie en Barend gaan nu zuidwaarts.
Winnie duidelijk voorop (zij heeft ‘het beheer’) met Barend op enige achterstand. Is hij altijd zo volgzaam? Zal dat zo blijven? De anderen volgen.
Daar, aan de strandlijn, bewegen zich mensen met pensioen in zicht. In het late licht vallen ze samen met de bruisende grijze golven. Ze zijn gekomen en gaan weer, met de getijden.

Inmiddels terug in de sportschool. De lopende band valt me zwaar vandaag. ‘Let it be’, zingt Paul McCartney me bemoedigend toe. So be it.

Rob Vlasblom

*Frits Conijn. ‘Lekker genieten’ blijkt behoorlijk ingewikkeld. Financieel Dagblad, 9 juli 2011, p. 34-35.

dinsdag 21 september 2010

PLUSMAXUS

Goedemorgen Nivo en Xingvoetvolk,

Een nieuwe aanpak, een nieuw geluid. De prikkelende stemoefeningen van ons Diri beginnen hun vruchten af te werpen, en dan heb ik het nog niet eens over die vallende cactus (herfst bij de bovenburen, was halten Sie davon?). Met welk een frisse klank bezongen we de seizoenen van mens en natuur. Indrukwekkend vooral dat slotlied van Mahler & Witte, zo stemmig gearrangeerd door Jansen. En meerstemmig, volgens de muzikale doelstelling van ons koor. Het 't gehele jaar bestrijkende Gedicht van land en tuinbouw klonk verrassend eenstemmig, volgens het beginsel van 'samen soleren' van de smaakmakende reeks workshops onder die naam.


Xing, dat inmiddels alweer heel wat jaren als een volrijp koor aan de weg timmert, klonk verrassend jong en ik voelde me trots als een koorknaap hieraan te mogen bijdragen. De frisse toon is gezet voor een veelbelovend seizoen. Oh happy monday.

Hoe anders was het me te moede op de zondagmiddag, middenin het geweld van 50-plussers. Daartoe uitgenodigd door een bevriende galeriehouder en met het oog op een ondernemende en arbeidzame toekomst van de vrouw togen wij blijmoedig naar de Utrechtse Jaarbeurs, voor mogelijk nuttige contacten met de doelgroep van boven de vijftig, de kijkers naar Max en lezers van Plus, zij die de seizoenen hunner levens in beeld willen krijgen.


Nooit zoveel 50-plussers bij elkaar gezien. Dat begon al in Utrecht Centraal, waar aan de jaarbeurszijde een meute plussers ons tegemoet kwam. Zolang die opgaan in de gewone bevolking - zoals in de Middeleeuwen de hoogbejaarden - is dat allemaal nog wel te doen, dan mengt zich dat wel, maar al die 50-plussers bij elkaar, die hele massieve doelgroep met tasjes van zorginstellingen en stapels folders van creatieve cursussen. Aai. Oef.

Buiten, op weg naar de Plusmaxhal, zat langs de straatkant een stelletje Roma met de Franse slag wat muziek te maken. Er klonken Italiaanse evergreens (Volare, Marina, Berlusconi), en iets dat een beetje leek op De Amsterdamse Grachten. Dat past goed binnen de Europese Unie. Ook klonk er een geheel nieuwe versie van Hava Naguila. Dat lijkt me een grensgeval, maar omdat Israël ook meedoet aan het Eurovisie Songfestival en de Europese voetbalcompetitie kan het nog wel. Niets Roemeens of Bulgaars, want daar zit de Nederlandse 50-plusbeursganger niet op te wachten. Ook trouwens niet op die marginale zigeunermuzikanten, was mijn indruk.


Het klonk dan ook allemaal wel erg weinig geïntegreerd. Niet iets waar zigeunergitaristenvirtuoos Django Reinhardt zijn drie vingers bij af zou likken.

Het stemde me triest dit te zien en horen. Wat een contrast met dat tweetal verraste toehoorders bij een kwartet professionele Purcellzangers in een rustiek Frans kerkje, ver van het Utrechtse Romadrama in de marge van een kudde Plusmaxers.

Ziet iemand nog wel eens dat aandoenlijke zigeunerjongetje met die traan ergens aan de muur? Ik al heel lang niet meer. Een teken aan de wand.

'Ik kan er geen traan bij laten', hoorde ik onlangs een soort Nederlandse Sarkozy mompelen.

Spiel Tzigane! Aven. Die Roma en die Sinti, ik ben daar nog niet mee  klaar.

Binnenin de Plusmaxhal wurmen we ons langs de stands van stichtingen voor al die 50-plussers die ongelukkig lopen, zitten, liggen of staan, of die ongelukkig ademen of denken of in toenmende mate ongelukkig terugdenken. Jonge werkstudenten huppelen ons tegemoet en confronteren ons plussers met onze minpunten. In een hoek van Hal 10 bereiken we gelukkig de oase, de prachtige en smaakvolle stand van Galerie in de Kerkstraat. Wat een rust en wat een fraaie kunst. De tijd stond even stil.

Vanaf de vorstelijke Keizersgracht wens ik jullie op Prinsjesdag een goede week. Weest op je vierkante meter een vorst. Xinger, durf te leven, koninklijk of republikeins (als ik moest kiezen tussen koningin Beatrix en president Sarkozy ... et: si j'étais président de la République ...).

Hartelijks, aven de Roma,

Rob.

zondag 12 september 2010

Strotteren

Wat een avontuur weer. Onze Diri is weer bijgeschoold en wij zullen het weten. Bij Tante Jo Estill, die twintig jaar geleden aan de slag ging met afzonderlijke stemsegmenten. Met een medisch apparaatje was vertoond hoe een zingende operazanger zijn strottenhoofd gebruikte en over allerlei spiertjes bleek te beschikken en daardoor heel wat meer mans bleek dan vroeger van zangers werd gedacht.


Ik zag Maarten verbijsterd kijken. Had hij dat als huisarts eerder geweten, dan had hij al die patiënten niet doorverwezen naar de KNO-arts. Strottenspiertjes, ja, moet je ook maar weten.
Wij hebben meteen alles uitgeprobeerd en het bleek reuze eenvoudig. Voor we het wisten zaten we helemaal subgutturaal, goed diep dus, bij een soort strottenonderbuiksgevoelens. We deden de drie standen: 1. de gewone stem (gewoon mooi zingen, zoals Esther dat graag doet), 2. samenknijpen van de stembanden, het belasten van de stem om elders iets te ontlasten en 3. de brede bekstand, die een gevoel van stevigte geeft. Daarbij oefenden we meteen een beetje twang.
Twang? Ja, twang. Dat is een heel krachtig gebruik van de stem. Oorspronkelijk als strijdkreet gebruikt door Noord-Amerikaanse Platvoetindianen, overgenomen door countryzangers in Nashville Tennessee en brullende rocker Bruce - Born in the USA as well - Springsteen en Tante Jo - ook born in the USA - Estill.
Net zoiets als belten. Belten? Ja, belten. Niet alleen die rauwe Amerikanen zijn meesters in stemverheffing, ook bij de Bundeswehr waren schreeuwtechnieken zeer in trek. Daar leerden ze blaffen of belten als Duitse herders. Zoals Duitse herders kunnen belten zou ik het ook wel willen kunnen.

Deze etnomusicologische verkenningen monden uit bij onze diri en de Xingers met overrijpe stembanden. Met twang en belten probeert zij onze ouder wordende stem weer kracht bij te zetten. Daar komt het uiteindelijk allemaal op neer.

Het gaf me voor de zomerstop al te denken dat mijn zangleraar, als oorpronkelijk logopedist enigszins ingewijd in deze materie, mij af en toe eens flink liet twangen. Nogal slapjes en krachteloos zong ik hem een Bulgaars lied voor, van mijn Medeklinkersrepertoire. Zo in mijn eentje in zijn kleine werkkamer was ik nog wel te horen, misschien klonk het nog wel mooi ook, je weet het niet, maar hij vond dat ik wel wat blerkracht achter de hand mocht hebben. 'Doe maar alsof je een Bulgaarse bas bent die nog hoorbaar moet zijn bij het beltgeweld van een bos Bulgaarse zangeressen'. Je kent ze wel, die schril gekeelden. Behalve het opzetten van een grote bek moest ik ook alle kracht van mijn neusschotten in de strijd werpen. En ja zeg, wat een geweld uit mijn KNO-regio, wat een spierballenvertoon aldaar. Oorverdovend. Mooi was anders, maar het is goed te weten dat ik ook brulspieren heb om op terug te kunnen vallen.

Als vrouwen gaan belten moet een man - zeker als hij oude slappe stembanden heeft - op zijn tijd daar een stevige twang tegenover zetten, zeker in de laagte. Luister maar eens hoe Bulgaarse bassen dat aanpakken, Xingbroeders.
Zo blijft er door de bijscholingen van diri altijd hoop. Xingen met de voice of Estill. Joepie! Hernieuwde Xingpower.

Ook leuk en leerzaam zijn altijd de te zingen verzoeknummers. Menigeen weet het verlangde lied nog wel een beetje te reproduceren, bij anderen is het meer de maxi playback show. Judith blijkt maar liefst minstens honderd duizend liederen niet te kennen. Na Purcell houdt het voor haar wel zo'n beetje op.

Cent mille chansons ... wie kent er nog de woorden van dat prachtige lied? Van ons Xingers praktisch niemand meer. Spontaan ging ik over in de Little Night Music van Stephen Sondheim ('Send in the clowns'), dat daar verdacht veel op lijkt. Elke kent het van Barbara Streisand, ik van Petra en Frank - the Voice (zonder Estill) - Sinatra.
Wat een prachtig lied, er komt geen twang of belten aan te pas. Gewoon de glimlach van een zomernacht.

vrijdag 30 juli 2010

Bespiegelingen in het zonnebad


Ik wilde schrijven over de Koude Oorlog; via het boek ‘Help, de Russen komen’ zit ik er weer middenin. Vreemde oorlog, zonder verhitte strijd en beëindigd zonder staakt het vuren. Ik ervaar weer de ijzige en dreigende sfeer van anti-Russische stemmingmakerij en onheilstijdingen uit mijn jeugd, waarin mijn vader als communist verhitte discussies aanging met ooms die de sociaal-democratie of nog erger aanhingen. Ik was op zijn hand, want niets menselijks was de jongen die ik was vreemd en ook voor mij was vader mijn held. Wij waren duidelijk een minderheidsgroep.
Ik kom uit de kast, misschien als outcast: ook ik was communist. Lang geleden, dat wel. Een jeugdzonde, zoals de Castro-verering van Harry Mulisch? Erfzonde? Nog steeds lijkt het beter daarover te zwijgen.

Ik had willen schrijven over dat prachtige boek van Peter Høeg: ‘Smilla’s gevoel voor sneeuw’, waarmee ik een warme Zuid-Franse zomervakantie lang het hoofd koel wist te houden. Ik smulde van Smilla, maar Høeg is dan ook een meeslepend en beeldend auteur. Het boek speelt voornamelijk in Groenland, waar allerlei duidelijk van elkaar te onderscheiden soorten sneeuw voorkomen. Høeg maakt ze voelbaar, zoals Süskind met woorden parfums doet geuren. Verfrissende literatuur. Sla al die columns maar over en lees een goed boek, zoals dit.

Over coalitiegepuzzel wil ik niet schrijven. Word ik niet warm of koud van. Het zal wel uitdraaien op een zevenpartijenkabinet, met gedoogsteun van wie daar nog buiten valt.

Wel verhit raakte ik bij het bericht dat Desi Bouterse de uitverkoren president was van Suriname. ‘Gangster, moordenaar, drugscrimineel’ hoorde ik mezelf sissen. Maar, vroeg ik me – verbaasd over eigen felheid – af: waarom zou ik als Nederlander zo’n toon moeten aanslaan tegen dit toch democratisch gekozen heerschap? Een enge man, dat wel, maar waarom me zo opwinden over het leiderschap van iemand die betrokken is bij slechts een moord of vijftien en zich lekkerder voelt bij cocaïne dan bij bauxiet? De halve wereld wordt bestuurd door lieden met een vergelijkbare staat van dienst.
Decembermoorden? Alweer 28 jaar geleden. Bouterse heeft onlangs nog zijn excuses aangeboden voor deze jeugdzonde.
Wie ben ik - inwoner van een land waar men zich vooral druk maakt om bezuinigingen - om mijn vingertje uit de dijk te trekken en beschuldigend te heffen naar mijnheer de president van Suriname. Tja, zo’n cocaïnelijn, dat mag natuurlijk niet, het trekt boefjes aan, maar onze Betuwelijn dan? Al die duistere doorvoer daarover van levensgevaarlijke stoffen voor mijn neus? Geen lijntje om te snuiven.

En toch: Bouterse president? Witheet was ik. Voor één keer stond ik aan de kant van Maxime Verhagen. Maar waarom? Suriname is ver, ik heb er geen wortels en ik ken het niet. De meerderheid van de Surinaamse kiezers, lees ik, heeft democratisch voor Bouterse gekozen. Vooral jongeren stemden Bouterse: een collectieve jeugdzonde? Suriname toch. Wat lees ik nog meer? Een meerderheid van de Nederlandse stemgerechtigden voelt wel iets voor een regering van Wilders en kornuiten, VVD en CDA: een volwassen zonde!

Democratie is de politieke staatsvorm waarbij nagenoeg het gehele volk aan de collectieve besluitvorming deelneemt. Toegegeven, ik was er jaren voorstander van, maar met de kennis van nu zou ik er natuurlijk niet meer voor kiezen.

Rob Vlasblom

zaterdag 27 maart 2010

VROEGER LAAT

Vannacht wordt het weer vroeger laat. We moeten weer een uur teruggeven, of krijgen we er door de langere avond één bij? Voor velen altijd een puzzel maar voor mij al heel lang een weet. Voor ezels die niet zonder bruggetje kunnen: het is ineens een uur later, ’s morgens, maar ook ’s avonds. Eigenlijk de hele dag door, maar dat maakt het misschien weer ingewikkelder.

De lentetijd – alle klokken een uur vooruit en wat daarvoor zit een uur naar achteren geschoven (maar niet dubbelop hoor!) – dateert van vroeger, namelijk mijn kindertijd. Kort voor mijn geboorte is landelijk de lentetijd ingesteld, waardoor ik mijn hele leven mijn tijd minstens een uur vooruit ben.
Mijn verjaardag begon altijd een uur eerder, en de spanning over mijn cadeautjes (‘zou ik de nieuwe Sjors en Sjimmy’ – een multicultureel verantwoord stripverhaal over de avonturen van twee vriendjes, zwart en wit – krijgen?) werd vroeger doorbroken.
Bij ons in de familie weet men wanneer de lentetijd ingaat: rond de verjaardag van Rob. Er is geen tijd om daarbij lang stil te staan als je ineens een uur achter loopt.

De lentetijd (geen idee waarom ze het ook wel zomertijd noemen) bestaat na al die jaren nog steeds; tegenwoordig begint mijn verjaardag in heel Europa een uur eerder, van Ier- tot Griekenland. Een mooi idee dat tegenwoordig de hele westerse beschaving, de Oude Wereld, daaraan meedoet.


Ik mag nog steeds mijn Sjors en Sjimmies (nee, dank, liever geen antirimpelcrème, hoe aardig ook bedoeld) een uur eerder uitpakken en lieve gelukwensen in ontvangst nemen. Het kind in mij is dan weer even blij. Maar meer dan toen besef ik dat ik een uur eerder oud word.
Nou ja, ach, dat ene uurtje, dat moet je ruim zien. Bij momenten van melancholie vind ik troost bij de Relativitijdstheorie van Albert Einstein. Toen een bedroefde student de oude Einstein aan diens sterfbed zei de tijd een uurtje terug te willen zetten sprak deze vaderlijk als zijn bijna laatste woorden: ‘Ach jongen, het is allemaal zo betrekkelijk.’ ‘Als je haar maar goed zit’ voegde hij er nog met een glimlach aan toe met zijn laatste adem. De tijd stond even stil, alsof hij nooit had bestaan.

Het is rond mijn verjaardag, laat de lentetijd maar ingaan, laat ons maar eerder wakker worden, de kriebels krijgen en ons verheugen op lange zwoele zomeravonden. Het eerdere uur is bijna geslagen.

dinsdag 26 januari 2010

Onder de douche


Dirigente ziek. Geen repetitie. Zijn we niet gewend. Wat te doen?
Thuis werken, zoals bij extreem winterweer!
Gisteravond om exact 20 uur dus begonnen met een warming up, zoals gebruikelijk. Slordig mengsel van sportschoolslag en borstcrawl, een bijzonder vrije slag dus. Heeft dat zin, zo in je eentje een koorrepetitie? Ik dacht het wel.
Als koorzangers behoren wij tot een groter geheel, maar dat inzicht blijkt maar al te vaak veel te zwak. Laat ik - in de hoedanigheid van koorlid - voor mezelf spreken en falen en feilen allereerst bij mezelf zoeken.
Soms laat ik mezelf zo graag gaan, losgeslagen, als waren er in geen velden of wegen een diri en medekoorleden te bekennen. Hop hop, Rob in vergalop. Niets zo moeilijk voor een koor en haar zangers als te klinken als koor.
Ieder koorlid heeft wel een notie van wat eenheid in verscheidenheid is, maar het moment van de ware samenzang laat doorgaans lang op zich wachten. Zelfs bij de eenstemmige delen (een andere dirigent onder wie ik val zou het liefste de sopranen van zijn koor wel eens apart willen stemmen; de rest van het koor zou dan iets voor zichzelf kunnen doen). Daar geen unisono te bekennen maar slechts multisolo.
Hoe komt dat toch? Een lastige fase in de evolutie van de mensheid? Een uitwas van de democratie? Typisch individualistisch Nederlands? (Hebben Russen, Duitsers en Noord-Koreanen ook versjes zoals 'Drie keer drie is negen, ieder zingt zijn eigen lied?)?
Wat kan iemand in zijn eentje doen aan het gebrek aan samenhang in de samenzang van zijn of haar koor?

Mij viel gisteravond het volgende in. Verbeter het koor en begin bij jezelf. Vergeet even die oergezellige repetities en nuttige oefenbestandjes. Kleed je uit. Neem plaats onder de douchekop en begin met de stand op zacht. Doe maar net of je fantasie hebt en stel je de gestaag vallende druppels voor als je medekoorleden.
Draai de kraan nu op forte, de krachtige stroom is het koor. Daar valt niet tegenin te zingen. Geef je hieraan over en zing de mantra: 'Hoor, ik ben een koor'. Luister naar je verrassend ernstige ondertoon, hoor ook je boventonen, het vocale buikgebeuren, voel de frisse okselsteun. Word meerstemmig jezelf.
Wacht vervolgens actief op je eigen begin tot je merkt dat je al ongemerkt was begonnen. Herhaal dit met de regelmaat waarmee je doorgaans douchet. Dit werkt zowel bevrijdend als verslavend.
Waarschuwing: vergeet de plenaire koorrepetities niet en blijf eventuele oefenbestandjes gewoon gebruiken.
Om kwart over negen heb ik samen met de vrouw de pauzekoffie gezet en genoten, daarna weer snel en gedisciplineerd de doucheruimte ingedoken en met alle klanken die mijn stem maar voortbrengt nog enig twijfelachtig repertoire doorgezongen. Zo zong ik spattend en schuddend in koor 'Als ik U vinde'. Maar zonder dirigent lijkt zo'n zoektocht onbegonnen werk.
Volgende keer toch maar weer onder haar leiding, in plaats van mijn toevlucht te nemen tot onze waterleiding. De douche is de ideale gelegenheid om je als zanger helemaal te laten gaan, zeker, maar voor een vervangende koorrepetitie...? Het hopen en wachten is op weer een gezonde diri. Het liep de spuigaten uit, luidde de diagnose. Dan loopt het gelukkig vaak los.
De maandelijkse koorkroegenavond, na het grondig drogen en in schone kleren, in huiselijke kring gevierd. De vrouw en ik hebben diverse rondjes gegeven. Ik meen dat we veilig thuis zijn gekomen.
Gezondheid! Goede week.
Grachtengordelgroet van
Rob (Mokum, min zeven, gevoelstemperatuur sterk wisselend).

dinsdag 19 januari 2010

BIBEB

Bibeb (95), de 'grootmoeder' van het portretterende interview, overleden, luidt vanmorgen de Volkskrantkop op (terecht) de voorpagina met daaronder: 'Journaliste Bibeb is op 95-jarige leeftijd in (moet zijn 'op', RV) Scheveningen overleden.
Nou en? Nou, dit: Bibeb was een jong leven lang mijn culturele moeder en ik was verliefd op haar dochter, net zo jong en groen als ik indertijd: prille Prea. Als journalistieke krullenjongen bij de Haagsche Courant werkte in de jaren zestig samen met Marianne. Zij had verkering met Bibeb's zoon Wouter. Trots toonde ze me op een dag een foto van haar geliefde Wouter en zijn jongere zusje Prea, met een cello onder handen. Genoeg om stapelverliefd te worden. Prea.


Wij hebben elkaar in levenden lijve aanschouwd – zonder cello - en dat viel mij niet tegen. En haar? Ach, wat zal ik zeggen, prille gevoelens hè, je kent dat wel. Daar kan van alles uit voortkomen. Ik mijd hier details, maar erg toeschietelijk was ze niet. Zo jong als ik was bleek ik echter al over een bijzonder sterk ontwikkelde hardnekkigheid te beschikken.
Zo gedroeg ik me een tijdlang als stalker avant la lettre: zelden passeerde iemand zo frequent Zeekant 110A als ik. Ik vatte er ook als het ware post. Ik heb Prea nooit een noot horen spelen, maar haar bevalligheid heeft zeker bijgedragen tot mijn liefde voor de klassieke muziek. Als ik Yo Yo Ma Schumann hoor strijken denk ik soms nog wel eens aan Prea. Zijn spel en haar beeld, aan mij de vrijheid om die te combineren in het rijk van mijn zintuigen.
Moeder Bibeb heb ik nooit gezien. Wekelijks vrat ik haar bijzondere en psychologiserende interviews, haar interviewen was portretteren, waarbij ze alle tijd nam om een volledig beeld in passende tinten aan de lezer te kunnen voorleggen. Weliswaar sloot ze zich geen 24 uur op met haar slachtoffers, maar urenlange verhoren waren het wel, die vraaggesprekken. Mooi waren haar observaties, de kenschetsende tussenzinnetjes zoals: 'pakt met trillende hand de koekjestrommel om mij een biscuitje te offreren aan het keukentafeltje' (volgt nog een uitgebreide beschrijving van dit meubelstuk en wat dit allemaal zegt van de geïnterviewde) of: ‘drukt peuk uit in dofgrijze asbak, de blik afwezig’.
Maar Bibeb zelf? Wie was zij, behalve de moeder van Prea en Wouter? Ze liet zich zelf niet interviewen, hield zich op de achtergrond. Zoals prille Prea, haar cellodochter, op afstand bleef van mij. Mijn nieuwsgierigheid naar haar uiterlijk en persoonlijkheid nam toe per interview in mijn lijfopinieblad Vrij Nederland.
Er kwam een tijd dat ik niet meer langs Zeekant 110A schuifelde voor dochter Prea, maar voor moeder Bibeb. Ondanks mijn gestalk heeft de moeder, mijn waarlijk culturele moeder, zich nooit aan mij geopenbaard. Dit nu, zo begrijp ik vandaag uit mijn ochtendblad, zal ook niet meer gebeuren. Het beeld van Prea is na al die jaren vervaagd, grotendeels opgegaan in mijn achtergrond. Naar de onbekende moeder blijf ik zoeken, maar het stalken kan ik staken.
Zondag was ik weer in de Jordaan, op het verjaardagsfeest van een collega, op een steenworp afstand van het pand aan de Bloemgracht waar ik 35 jaar geleden mijn levensgezellin Magda ontmoette, toen ook nog wel enigszins pril, aan de voet van de Oude Wester.
Vijfendertig jaar dezelfde vrouw stalken, ver van Scheveningens Zeekant 110A, dat is wel andere koek, nietwaar? En het aardige is dat zij mij ook even zoveel jaren al stalkt. Wederzijds stalken, een mooie liefhebberij.
Overigens - even een zijspoor - werd er in de trein weer gewaarschuwd voor zakkenrollers op de stations. Een hele geruststelling, alles lijkt weer normaal. Beware of pickpockets, der Winter ist vergangen.
Ondertussen gaan we welgemoed verder met ons oud-vaderlandse repertoire, met een wel zeer Calvinistisch klinkend (terwijl het meen ik toch stamt uit de Rooms doordesemde Zuidelijke Nederlanden, waar ze de vrouwen nog korter hielden dan bij ons in de buurt) DRINKLIED.
Maar daar weet Xing wel raad mee. Dat wordt rappen of swingen, laat de schwung en het frivole maar over aan ons prachtkoor. Xing and swing. Bij ons koor vraag ik me wel regelmatig af of de toon- en tekstdichter dit zo wel bedoeld heeft. Maar wat dondert het. Wij nemen de vrijheid.
Er komt een aankondiging binnen van het Arnhems kamerkoor, dat zeer binnenkort het Requiem van Fauré ten gehore brengt. Wel vroeg, dat requiem, maar het koor licht dat keurig toe. Ooit zong ik het met De Vrije Stem, zo'n koor van gekerstende socialisten, in de Eusebiuskerk, op 4 mei bij de dodenherdenking.
Vandaag herdenk ik Bibeb en vooral de herinneringen aan mijn culturele moeder die ik nooit heb gekend.

woensdag 13 januari 2010

Hoefijzers


Als bewoner van een gidsland, die zelf goed beslagen ten ijs wil komen, volg ik natuurlijk onze deskundigen ('wat weten ze tegenwoordig toch veel'). Zo zag ik dat de KNMI of de ANWB - in ieder geval iets Nederlands - een 'na-alarm' heeft afgegeven. Dat is toch nog even schrikken. Weliswaar zijn we intussen helemaal vertrouwd geraakt met weersalarmen van allerlei aard, waarbij het voortdurend meevallers regent (het lijkt wel een strategie van politici, die ons waarschuwen voor aan te trekken broekriemen, crises die nog lang niet over zijn en ander engs).
Na-alarm, dat neem ik toch wel serieus. Want je weet wat er was en wat er is, maar over wat er nog gaat komen maakt een mens zich toch de meeste zorgen, in Nederland tenminste. Op advies van een ex-voorzitter (ex, maar ze is netjes weggegaan en nog steeds gezaghebbend) uit het wintersportoord Velp heb ik hoefijzers aangeschaft. Rubberen flappen met dunne schroeven voor onder het reguliere schoeisel. Ontworpen voor bewoners van eeuwige sneeuwvelden.
In onze tuin, waar we - idyllisch ingesteld als we zijn - alle sneeuw hebben laten liggen, voldoen ze uitstekend, maar op de wegen die ik heb te gaan is al veel sneeuw en ijs verdwenen. Maar ja, je weet het niet met een alarm, hè.
Bij een vroege blik op straat onderscheid ik twee categorieën voetgangers: zij die keurig op het trottoir de sneeuwresten trotseren en de brutalen die zich over het autogedeelte bewegen (vermoedelijk automobilisten, die hebben de halve wereld, zij gaan ook aanzienlijk sneller).
De sneeuw is grotendeels verdwenen, maar het gevaar nog niet, zegt de gewaarschuwde man in mij, dus aan die hoefijzers, jongen.
Ik voel me al snel een klunende elfstedenrijder in het Amazonegebied. Als een topsporter die maar niet wil inzien dat hij allang over het hoogtepunt heen is. Of een ijlende Fries met gevaarlijk hoge elfstedenkoorts.
De weergoden zetten hun profeten wel erg vaak op het verkeerde been dezer dagen.
Intussen volop begonnen aan een oud-Nederlands repertoire. Aha, Nederlands repertoire, fijn om precies te weten wat je zingt. Vergeet het maar. Dit oud-Nederlands is niet te begrijpen. Het valt niet uit te leggen. Zelden zag ik schriftgeleerden zo in verlegenheid gebracht als gisteravond. Het verschilt van onze eigentijdse moedertaal als het Bretons van het Frans, liet onze allochtone sopraan me weten.
Alsof mijn verre voorouders met terugwerkende kracht een inburgeringscursus van me eisen. Ben ik wel autochtoon of 32ste generatie medelander?
Nou ja, we zullen er ons zeker mee onderscheiden binnen het korenland en dat is goed voor het identiteitsgevoel.

Medezangers: vergeet je niet bij te voederen en geniet van het grillige avontuur dat een Nederlands wintertje heet.
Grachtengordelgroet,
Rob.

zondag 10 januari 2010

KONINKLIJKE EXTREMISTEN



Zomaar een weekend in een januarimaand

Zingende medemensen, voelt jullie temperatuur aangenaam aan? Komen jullie dit weekeinde met ‘extreem winterweer’ (citaat van zich indekkende NS en Koninklijke Weerprofeten) nog door? Als ik virtuele mantelzorg kan bieden … ?

Zojuist veilig teruggekeerd van een expeditie naar de buurtsuper voor noodvoorraden, met speciale spijkers onder de schoenen door de Spijkerstraat naar de Spijkerlaan. Van hamsteren was nog niets te merken, vermoedelijk is de extreme ernst van de situatie nog niet doorgedrongen tot mijn buurtgenoten. Sinds het vertrek van de dames van plezier is dit geen warme buurt meer, er is een frisse wind gaan waaien in het Spijkerkwartier, maar hier hebben weinigen zorgen voor de dag van morgen.

De krant van gisteren meldde dat het einde van de zoutbodem in zicht was en dat het ontdooiende strooien van de besneeuwde wegen weldra zou stoppen. Heel apocalyptisch allemaal. ‘Waar is nog een weg die wij kunnen gaan’, zong Mieke Telkamp. De minister van verkeer, in alle staten en die altijd goedgemutste Plasterk van cultuur en columns besloten tot het massaal inzetten van bassen (de vocale vloerverwarmers, hun functie voor de samenleving wordt voelbaar). Ik heb hier mijn oproep nog liggen. Of wij willen helpen met ontdooien. Lage tonen schijnen een hoog CO2-gehalte te hebben. Misschien ligt die hele opwarming van de aarde wel aan ons, met ons geheel eigen milieu.

Iedereen is verzocht om het zout op zijn huid af te staan (16 miljoen kleine beetjes helpen), leveranciers van zoute haring en pekelvlees is gevraagd hun verantwoordelijkheid te nemen. Op cabaretiers is een dringend beroep gedaan nog louter zouteloze grappen te verkopen, wat voor de meesten niet zo moeilijk is.
Zout strooien in andermans wonden – toch een grondrecht waar Nederlanders graag gebruik van maken – wordt ontmoedigd. Voor wie het niet kan laten zout te strooien op slakken: niet op alle!

koninklijke zoutkelders

Maar ziet, de krant van gisteren bleek weer eens wat hij altijd was: geschiedenis.
Er is weer zout, en nog wel koninklijk, die nobele AKZO komt onverwacht het volk weer tegemoet. Hoe zij daar ineens aan komen? De kelders van Het Loo en het Noordeinde, bekend van zijn geheimen? Omdat de vorst in de grond zit?
In de Gelderlander (lees ik alleen – met enige regelmaat - bij extreem winterweer) van vandaag zie ik dat Arnhem na dit weekeind niet meer op AKZO-strooizout hoeft te rekenen. Na het vertrek van de directie naar Amsterdam blijkt dat de AKZO geen koninklijke boodschap meer heeft aan Arnhemse proleten. Uit het oog uit het hart? Of gewoon harteloos? Stelletje zoutzakken (dit moet me even van het hart, ik heb er wel een)! Is dat niet zuur? Stemt dat niet bitter?

Gelukkig is er altijd nog de taal. Wat valt daar een hoeveelheid zout uit te halen. Vrienden melden me het nog nooit zo zout te hebben gegeten, vinden dat ik het zout in de pap wel heb verdiend (bij dit soort schouderklopjes smelt ik helemaal) en maken gewag van het zout der aarde. Een nuchtere noorderling onder hen beveelt me aan dit alles op te zouten.
Mag ongezouten kritiek nog wel?

Voor (of achter) mijn raam dwarrelen dartele sneeuwvlokjes vriendelijk naar benee. Stuiven is hen vreemd. In dit klimaat past slechts een instuif.

donderdag 24 september 2009

Rob Vlasblom columnist in tijdschrift Zing

De columns van Rob Vlasblom blijken van zo bijzondere kwaliteit, dat hij vanaf de zomer 2009 te vinden is in het muziektijdschrift Zing.
Het blad is in de tijdschriftenwinkel te vinden maar ook te bestellen via internet.


Op deze weblog zullen zijn columns nu wat sporadischer verschijnen; de columns die in Zing worden afgedrukt zullen niet hier verschijnen om auteursrechtelijke redenen.

Uw weblogmaster: Wietze Landman

zaterdag 27 juni 2009

KLEDINGADVIES

Mijn treinkrant Metro(1) zet me op het rechte spoor van de Partij tegen het Kwaad; de mens moet soms rechtlijnig zijn om vooruit te komen.
Citaat: ‘De SGP in Rhenen wil voorkomen dat de Naturisten Federatie Nederland (NFN) een ledenvergadering houdt in Ouwehands Dierenpark. Daarmee bestrijdt de partij het kwaad, vindt fractievoorzitter Piet van Leeuwen.’
‘Wat heeft u tegen naaktloperij?’, vraagt Metro hem.
Piet van leeuwen: ‘In de bijbel staat dat na de zondeval van Adam en Eva in het paradijs de mensen kleren verstrekt kregen.’
‘Verstrekt?’, vraagt Metro.
Piet: ‘Ja, de here God heeft dierenvellen uitgedeeld zodat mensen hun schaamte konden bedekken. Dat we kleren dragen is dus niet voor niks. In onze beginselen staat dat we het kwaad bestrijden. Daar is dit een voorbeeld van.’
Metro: ‘Wat voor kwaad richten vergaderende naturisten aan?’
Piet: ‘Aan deze mensen hebben we geen hekel, wel aan hun doen en laten.’
Slotvraag Metro: ‘Is naakt douchen ook kwalijk?’
Piet, met de verlossende woorden: ‘Nee, want wil je schoon worden, dan zul je toch je kleren uit moeten doen. Nee, de bijbel zegt er niks over – er was toen nog geen douche.’


Aldus door Piet van Leeuwen ter hoogte van Breukelen aan het denken gezet, vervolgde ik mijn reis naar Sodom en Gomorra aan Amstel en IJ, zonder wisselstoringen, draadbreuken en andere hindernissen naar kleine en grotere doelen.
Gehuld in een dierenvel, verstrekt door de here.
Geen snelle merkkleding, geen scherpe snit, maar ja, een gegeven paard …
Om mij heen veel Björn Borg, shirts van Hugo Boss, de nieuwe zomercollectie van de familie Brennikmeijer, Levi’s rafelranden (2) en een vermoeden van Sloggy.(3)
Als in een droom waarin je je bloot weet wist ik ineens de blikken van mijn medereizigers op me gericht. Ik voelde me naakt in mijn dierenvel, van diepe schaamte vervuld. ‘Waar heb je dat in godesnaam aangeschaft’, vroeg een van hen.
‘De here’, stamelde ik.
De here. Jawel. Geen topsporter of popster, geen naar de VS vertrokken Beijerse emigrant2, misschien wel de eerste leernicht, maar met een underscore op de lijst van Brigitte Bardot en Marianne Thieme.

‘De here’? Er bleek in het geheel nu geen spot in de blikken van mijn vragende medereizigers. Zijt gij soms zoekenden, vroeg ik hen?
Zonder het antwoord af te wachten verklaarde ik me, vol trots nu, nader.
‘Ja, de here. Schepper van de eerste kledinglijn.’

In mijn dierenvel bewoog ik me kort daarna door de PC Hooftstraat, onopvallend, langs modieuze kringloopwinkels van de keten van de here.
Als een teken waren op een blinde muur in deze chique Amsterdamse winkelstraat de eenvoudige woorden geschilderd: ‘De here was here.’
Referenties:
1. Een minuutje… Piet van Leeuwen, SGP Rhenen. Metro, dinsdag 23 juni 2009, p. 2.
2. Spijkerkledinguitvinder Levi Straus streek midden 19de eeuw uit Beijeren neer in de VS. Lederhosen raakte hij er aan de straatstenen niet kwijt, maar zijn nazaten timmeren er nu wel aardig aan de weg, met kleding zo uniform als de dierenvellen uit de Oertijd.
3. Sloggy. Ik mis de reusachtige billboards van Sloggy. De invloed van Piet van Leeuwen? Het blijkt een preventieve ingreep van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Menig verkeersdeelnemer werd er door afgeleid en raakte van het rechte pad.





zondag 21 juni 2009

SOPRANEN, DEEL 1, VOLGENS HET OUDE TESTAMENT

GENESIS, GEENSZINS ZONDER SOPRANEN

In den beginne was de aarde woest en ledig. Toen waren daar ineens de sopranen en was het met de ledigheid snel gedaan. De woestheid bleef, maar nu als klank. In de muziek der sferen was in enen een groot familieblik – zoals we die wel in een Turkse supermarkt aantreffen – hooggevooisde vrouwen opengetrokken. De schepping der sopranen had zich voltrokken als een oerknal. Hun ontstaan verenigt vele theorieën.

Er is de oude opvatting dat zij zijn geschapen uit de gekneusde rib van een bas of tenor. Maar gelooft een weldenkend mens werkelijk dat dit hooggestemde damesleger geboortig is uit de kneusjes der schepping? Kent u een man die zo’n bevalling zou doorstaan? Al was de Grote Verloskundige dan ook almachtig, dit zou hem toch volstrekt ongeloofwaardig maken.

Aannemelijker is dat Adam een sopraan was. Eén grote gevulde borstkas, een gul gemoed, één vat vol adem.
In den beginne waren er de sopranen. De schepper beluisterde hen en hoorde dat het goed was en noemde hetgeen zij zongen ‘melodie’.
Uit hun volle ademtocht ontstonden de alten, tenoren en bassen, als versieringen en bijgeluiden, misbaar, maar wel aardig ter opluistering.


Sopranen hebben de air van een koningin, maar zoals bijen en naties doorgaans volstaan met één vorstin, zijn zij altijd met velen. Heel velen. Overdonderend velen. De eeuwige vraag, die we in aloude zanggeschriften reeds tegenkomen, waarom in gemengde koren de mannen zo’n kleine minderheid vormen is eenvoudig en kort te beantwoorden: sopranen. Het bestaan van mannenkoren te verklaren uit de behoefte van ‘jongens onder elkaar’ is natuurlijk een zwakke poging om de werkelijkheid te verhullen. Waar mannen de alten nog wel kunnen velen in hun nabijheid, als groep doorgaans klein en qua stem nabijer, is het geweld der sopranen hen teveel.
Mijn vakblad Zing Magazine las op internet hierover een aardige analyse van een onbekende auteur (Oud Testamentisch?), gepubliceerd in het zomernummer van dit jaar.1 Een citaat hieruit: ‘De sopranen zijn degenen die het hoogst zingen, en daarom denken ze dat de wereld van hen is.’ In hun Hooglied zien en zingen zij neer op alles wat de schepper onder hen heeft gesteld. Voor hun meerdere eer en glorie zijn er allereerst de alten. Zing Magazine: ‘Voor sopranen zijn alten wat de tweede violen in een orkest zijn voor de eerste violen – leuk voor de samenklank, maar eigenlijk overbodig.’ Interessant is de verhouding tot de tenoren. ‘Tenoren daarentegen kunnen altijd van pas komen. Niet alleen vanwege de flirtmogelijkheden (iedereen weet dat sopranen nooit met bassen flirten); sopranen zingen graag duetten met tenoren omdat die ergens onderin het sopraanbereik hun best staan te doen, terwijl de sopranen in de stratosfeer de show stelen.’ ‘Bassen zijn uitschot: ze zingen te hard, vinden sopranen.’
Als dit geen schoolvoorbeeld van Freudiaanse projectie is …
Nog een citaat: ‘De sopranen leven in een parallel heelal dat de bassen ver boven de pet gaat. Ze snappen niet waarom iemand überhaupt zo hoog wil zingen en bereid is zo uit de bocht te vliegen als het fout gaat.’
Het geweld der sopranen roept, zoals het met geweld nu eenmaal gaat in het Oude Testament (de vredesbeweging stelde nog niet veel voor) volop tegengeweld op. En eerlijk gezegd, als ik de sopranen op volle oorlogssterkte hoor, klinken in mij de woorden: ‘Wie niet voor mij is, is tegen mij.’ Als bas, dus antiheld op sokken, kies ik de veilige weg van meezingen of het maken van bescheiden decoratieve omtrekkende stembewegingen. De tenoren ontlenen hun twijfelachtige status aan hun schaarsheid (die bepaalt nu eenmaal de economische waarde) en het aanschurken tegen de femmes fatales die de sopranen uithangen. Citaat: ‘… wie anders kan de sopranen aan het zwijmelen brengen.?’ Bassen verschuilen zich achter onbegrip.
Ook de alten hebben zo hun strategie om het sopranengeweld enigszins in toom te houden. Zing Magazine: ‘Stiekem vinden alten het leuk om samen te spannen tegen de sopranen, zodat die vals lijken te zingen.’

Zo bezien maken de sopranen het domein van de zang tot een Oud-Testamentisch slagveld: met de Vrouwe der Vrouwscharen. Met complotten om hun valsheid hoorbaar te maken, en mannenzangers die langs genadeloze soprano-feministische meetlatten worden gezet.

Niet in de laatste plaats voor mijn eigen veiligheid zal ik in deel II een verzoenende, vreedzame toon aanslaan.
Sopranen, deel II, een Nieuwer Testament, valt ruim voor 25 december te verwachten.

Literatuurverwijzingen:
1. ‘Stemgedrag’. Tekst Internet (auteur onbekend). Zing Magazine, juli-augustus 2009, nr. 27, p. 23.




dinsdag 16 juni 2009

Buitenkunstjes



Er is niets op tegen als iemand eens wat neuriet op de fiets, of op een stille winterdag een deuntje fluit. Ik heb altijd – al van jongs af aan - gevonden dat dit moet kunnen en ook al stem ik op D66, die typisch meanderende stroming binnen ons politieke landschap, daarin is mijn standpunt altijd zeer standvastig, zo niet rechtlijnig geweest.

Na een weekend met veel joodse gezangen met oriëntaalse trillers en Hebreeuwse gebeden, waarbij het lichaam ook tot deinen nijgt en een meezingende mens onbedwingbaar het heen en weer krijgt, was het gisteravond wel wennen aan de Gregoriaanse Vader (ook al de onze) van Strawinsky. Daarbij zie en voel ik vooral een plechtstatig voortschrijden, met de rechtlijnige en geometrische patronen van Romeinse garnizoenen (is het u wel eens opgevallen dat Rooms-katholieke monniken en Romeinse soldaten hetzelfde sandalige Birkenstockachtige schoeisel dragen?).

Voor het oefenen van deze 20ste eeuwse, nogal cerebrale Pater Noster had onze muzikaal leidsvrouwe, het jonge diriding uit dezelfde kwikzilverige politieke achterban, een galmende akoestiek bedacht. Zo belandde het hele 25-koppige koor op de tegeltjes van het schooltoilet, waarbij de zangers zich posteerden in een mooie pleefiguur.

De zang was nog penetranter dan de plaatselijke ruimtevullende eau de toilette. ‘Eli Eli, lama sabachtani?’ klonk het in mij: Oh Heer, waarom hebt gij mij hier achtergelaten? Zou Strawinsky dit effect hebben beoogd?

Mijn gebed haalde dan misschien niet de Heer in de Hemel, maar drong wel door tot dirivrouwsoren. Of wij maar verder wilden gaan op de speelplaats, waar onze stemmen tot grote hoogten zouden kunnen reiken. Maar bij de inzet reeds van ‘Kijk eens in de poppetjes van mijn ogen’ van Edgar Elgar, of was het ‘Geeft niet lieve pop, spring maar achterop’ van Mendelssohn, deden de merels er als bij afspraak nog hun schepje bovenop. Daar is niet tegenaan te zingen.

Dat vind ik een hele foute vogel, die merel. Het lijkt ook wel of ze ieder jaar zwarter worden (als ik een zwevende kiezer zou zijn zou ik zeker niet op de dierenpartij stemmen, maar wie weet wel op die W).


Het begeleidende boekje bij de CD ‘Merels & meer’ begint aldus: ‘In het begin van het seizoen hoor je mensen vaak zeggen: “de vogels zingen weer”. Ik denk dat ze dan de merels bedoelen die met hun zang zo duidelijk aanwezig zijn.’ En dan komt het: ‘We boffen met de merel. Uitgerekend één van de beste zangers is ons gevolgd van het bos naar de bebouwde omgeving en dan ook nog in groten getale. Bijna elke Europeaan kan vanuit de slaapkamer één of meerdere merels horen zingen.’

Zo jubelt de schrijver, Henk Meeuwsen uit Wageningen, maar door.

Welnu, hier wordt het tijd om mijn stem te verheffen tegen de terreur van deze rotbeesten. Zijn mijn voorouders de natuur ontvlucht naar een beschaafde wereld om te worden gevolgd ‘door uitgerekend één van de beste zangers van het bos naar de bebouwde omgeving?’ En dan je slaapkamerraam openzetten voor die merelterreur?

Nu laat ik me niet zo snel kennen, maar wel horen. Zo verhief ik mijn stem tussen dit merelgepeupel, als ware ik de grote lijster, waarover Meeuwsen (uit Wageningen) opmerkt: ‘De grote lijster zingt minder gevarieerd dan de merel of de zanglijster, maar ook erg mooi. Het zijn met name volle, ronde klanken die hij laat horen, maar ook de hogere tonen ontbreken niet. Aan het eind hoort u het ratelende alarm van de grote lijster alvorens hij weg vliegt.’ Juist, Meeuwsen, hierin herken ik mezelf.

Hoog in de bomen en op de daken vervolgden de merels hun zangterreur. Maar zeggen de Wijzen niet: ‘Zo boven, zo beneden’? Maken wij koorzangers ook niet deel uit van de schepping (of evolutie, of intelligent design of zoiets: kiest u maar)? Zijn wij met onze voeten op aarde niet gelijk de dieren des velds? En weerspiegelen onze stemmen niet het gekwinkeleer van onze gevleugelde medeschepselen? En zingt der Rudy Carrell niet: ‘Wat een geluk dat ik een stukje van de wereld ben, dat ik de wijsjes van de sijsjes en de merels ken.’

Allemaal mooi en aardig, maar die merels …

Hiermee is de toon gezet voor een column over een immer in ieder gemengd koor oververtegenwoordigde categorie zangers. De opmaat voor een vlijmscherpe analyse van de s…….

Tot zover een parabel op een dinsdag in de late lente.


Rob.

maandag 27 april 2009

KINDERARBEID IN VRIJHEID 1 mei 2009

Een waar gebeurd verhaal

Rotterdam, Spangen, eind jaren vijftig.
Bij het wakker worden staat mijn besluit vast. Het is vandaag 1 mei en ik ga niet naar school. Ik ga een daad stellen.
Klasgenoot Pietje Dunk heeft een proletarisch netwerk, hij kent de schillenboer. Op de Dag van de Arbeid verklaren wij ons solidair met het schillenproletariaat.
Op weg naar school zal het trotse werkpaard met schillenwagen ons onderscheppen. Pietje heeft een goed geheim gehouden (dit alles speelt zich af tijdens de Koude Oorlog) afspraak gemaakt met Jannes, de schillenboer (een op zoek naar passende arbeid in Rotterdam neergestreken Drent, ingeburgerd zonder cursus, Rotterdams heeft hij geleerd op de dan nog lege straat).
Vandaag geen geschiedvervalsing (over onze kolonialistische zeehelden) en aardrijkskundige verdichtsels over het romantische en pure turfstekerleven, van meester Van den Bogaard, maar de ware werkelijkheid van het schillenboerenbestaan aan de rafelrand van de grote stad.

Van Spangen gaat het naar Crooswijk en het oude noorden; drie vrije arbeiders, met oude Jannes op de bok en twee jonge revolutionairen in de laadkar.
Rotterdam jaren vijftig, tussen een volk van verstedelijkte aardappeleters dat toen nog de eigen piepers jaste. Nog te traag voor fast food maar al wel de trekschuit voorbij en te snel voor het jaagpad. Nu zie je daar rond verkiezingstijd iemand op een lullig namaakzeepkistje klimmen voor een ledig toespraakje tot volgegeten pasta-met-pesto-vreters.



Een onbeschrijflijke dag, de eerste mei, ruim een halve eeuw geleden. Een zegetocht van een driekoppige vertegenwoordiging van de werkende klasse.
Het historisch-materialistische gehalte van deze daad is me tot de dag van vandaag onduidelijk gebleven; Marx en Engels geven nog steeds geen uitsluitsel. Maar wat een statement, zoals dat tegenwoordig heet. 
De school vraagt om een verklaring van mijn afwezigheid (spijbelen was toen nog geen gewoonte maar een zeldzame daad van verzet). Mijn vader, verklaard communist, zal mijn absentie met een briefje beargumenteren. Wat hij precies heeft geschreven heb ik nooit geweten: 1 mei vrij? ‘Mijn zoon heeft de Dag van de Arbeid passend doorgebracht.’? Zoiets, vermoed ik. Ik ben ervan overtuigd dat het Hoofd der School diep respect moet hebben gevoeld voor mijn toch ongebruikelijke daad, voor een statement van heb ik jou daar.

Koninginnedag na het aubadezingen bij een Orangistisch Arnhems café de stad ontvlucht. Weg van de bourgeoisie die schaamteloos haar overconsumptie, ook in tijden van zogenaamde crisis, etaleert en te gelde maakt op zogenoemde ‘vrijmarkten’. Hierbij gaat het niet om massaal betaalde seks, maar om de uitwassen van het kapitalisme, waarbij werkelijk alles te koop is.
Twee jaar geleden maakte onze eeuwige kroonprins nog melding van ‘consuminderen’, waarbij hij het volk links inhaalde.

Vandaag, 1 mei 2009, sta ik nog eens stil bij die gedenkwaardige dag, een halve eeuw geleden. Una giornata particulare. Piet (Pietje) Dunk heeft zijn schaapjes al heel lang op het droge en baadt als een Dagobert Duck in het ‘slijk der aarde’ op zijn Spaanse haciënda.
Jannes en zijn werkpaard rusten al jaren in een sober graf na een werkzaam leven, voor altijd bevrijd van de schillen.
Ik wens ieder een Dag van passende Arbeid, te verrichten in Vrijheid.

De namen in dit verhaal zijn niet gefingeerd. Alles is hier zoals het was. De werkelijkheid is geen geweld aangedaan. Voor zover er van geweld sprake is, was dat er al.

Rob

zondag 26 april 2009

DE SCHOLIER IN DE KOORZANGER EN ANDER LEERZAAMS

Wanneer de scholieren hun vakantie beginnen eindigt mijn maandagkoor prompt met zingen. Waarom is me een raadsel. Omdat ik de mensen met wie ik leef probeer te begrijpen zoek ik hiervoor een verklaring, bijvoorbeeld een historische. 
Een sluitende vind ik nog niet, maar het begint geloof ik bij de Napoleontische kalender uit 1805. Van belang is vervolgens dat Sam van Houten in 1874 een wettelijk einde maakt aan de kinderarbeid. Zo ontstaan de hangjongeren zonder buitenfabriekse opvang. Om daar paal en perk aan te stellen is in 1969 (40 jaar geleden alweer)de Leerplicht ingevoerd, waarna vele scholen bloeien en ruimte scheppen voor koorrepetities.

Xing sopranen als cliff-hangers

In mijn bewuste koor is het aantal bijna of reeds pensioengerechtigden beduidend groter dan het potentieel aan leerplichtigen. Wel zijn wij allen schoolgaande, met fiets of auto. 
Zijn wij zangers ook scholieren, die zich periodiek moeten onthouden van het leerproces?
Zijn ook wij het leren af en toe zo moe dat onze stemmen aan staken toe zijn, zo vraag ik me in gemoede af, om toch nog een minimum aan logica te kunnen ontwaren bij die verplichte vrijheid? Moeten wij ook leren een tijdje de samenzang voor onszelf te houden?

Allereerst: wat valt er te leren?
Daarover bestaan verschillende opvattingen en scholen met als radicale uitersten:
1. De Nihilisten. Wat valt er volgens hen te leren? Niets.



2. De Tuttisten, wier antwoord op die leervraag luidt: alles.

Verwant aan de Nihilisten, maar minder zwaar is de school die leert dat zangers als zodanig moeten ‘leren leven van de lucht’. Nu gaat dat niet vanzelf, in tegendeel, het is lang en hard werken, dat weten de Luchtigen maar al te goed. Het vraagt een lange adem.
In deze hoek vinden we ook de ‘Stroomgangers’, met als credo: laat je meevoeren in een voortdurende stroom. De kunst daarbij is de richting van de stroom te ontdekken. Ook dat kan jaren duren. En dan zijn er nog de Zenzangers, die menen dat het enige wat er te leren valt is: alles afleren.
Volgens de meeste scholen valt er veel te leren, waarbij accenten en prioriteiten nogal kunnen verschillen. De laatste jaren maken vooral de Sopranofoben school, zij leren sopranen uit de weg te gaan. Het gaat hier overwegend om mannen, hoewel er ook de Alternatieven zijn die we bijna uitsluitend vinden onder lager gevooisde vrouwen.

Wat valt er te vrezen van sopranen? Veel, merk ik om mij heen.
Nu heb ik sopranen onder mijn beste vriendinnen, maar ook sopranofoben onder mijn beste vrienden. Op mijn verjaardag nodig ik ze altijd apart uit. Ik vrees sopraan noch sopranofoob, maar wel conflicten.
Ik ken medekoorleden die een soort spamfilter hanteren tegen sopraangeluiden. Dat is niet alleen oneerbiedig, maar ook ronduit schaamteloos. Maar er is natuurlijk wel wat voor te zeggen.

Oef. Nu ga ik me op glad ijs begeven. Bassen en tenoren, ik heb ze zonder schroom beschreven en als columnist vrees ik zeker ook de alt niet. Maar sopranen? That’s different cook.
Denkend aan sopranen zie ik angstaanjagende vooruitgeschoven cohorts, snerpend door de ether gaan. Ik ga ze niet uit de weg, maar maak mijn columnistenborst wel nat, het klamme zweet breekt mij nu al uit. Bloedspannend. Een sopraancolumn. Hij komt eraan.

Als dit geen echte cliffhanger is.
Overigens wel eens een sopraan aan een klif zien hangen?
Inzendingen graag voor 11 mei aan de redactie, graag met foto.

Volgende keer: de ware aard van de sopraan.


woensdag 8 april 2009

KNOTSHOCKEY VOOR KNARREN EN NARREN

‘Voor 55-plussers die in groepsverband willen sporten is er naast minivoetbal en jeu de boules nu ook knotshockey, floorball en dynamic-tennis. De vergrijzende samenleving vraagt om actie.’ Zo meldt Poul Annema in de Volkskrant van dinsdag 7 april.

Knotshockey, niet alleen voor ouderen

Waarom windt deze tekst mij zo op? Welnu: knotshockey is een vorm van hockey waarbij er alles aan wordt gedaan om ongeschonden de wedstrijd door te komen: de hockeystick (knots) is licht en de bal zacht. De grondlegger van het knotshockey, zo lees ik nog, is Piet Steenmeijer van de Apeldoornse hockeyclub Ares. Steenmeijer: ‘De gemiddelde leeftijd bij Ares is 74 jaar’.
Wat is hier zo opwindend aan, althans voor mij?

Een duik in de indrukwekkende geschiedenis van mijn sportcarrière.
In de straat waarin ik opgroeide, woonde, leefde en vooral ook sportte, in het Rotterdamse Spangen, op een steenworp afstand van de prachtclub Sparta, een ‘omnisportvereniging’ (mijn spellingcorrector suggereert ‘onminsportvereniging’) met voetbal, honkbal en cricket, bestond er geen hockey. Niet gehinderd door al te veel automobielen hing ik er de ware omnisporter uit, trapte, gooide en sloeg harde en zachte ballen, in eigen en andermans doel, ruiten van kleine middenstanders en particulieren, in en uit, van en naar honken, maar niets ervan had maar iets van doen met hockey. 
Het waren de jaren van vijftig (van De Avonden van Van ’t Reve), van wederopbouw en de opbouw van mijzelf, inclusief de sporter in mij.
Een nieuwe tijd brak aan met mijn emigratie, in 1960, op het breukvlak van twee markante decennia, naar het voorname Den Haag. Een wereld van verschil, een cultuurschok. Schokkend was ook mijn kennismaking met hockey. Op de middelbare school in de Hofstad bleek deze sport (of is het slechts spel?) een standaardonderdeel van de gymles. Ook ik moest eraan geloven. Met Darwin in gedachte hield ik mij voor dat mijn zich vormende identiteit tijdens deze jaren van opgroeiende puber er een moest zijn van haaks in het leven staan. De houding van de ware homo erecticus, op weg naar zijn vervolmaking.
Bij het gymmen in Rotterdam leerden wij jongelingen vooral de rug te rechten, als heipalen. Hoe anders bleek de Haagse aanpak.
Gebogen dreven mijn Haagse klasgenoten met harde hockeystick de bal naar het vijandelijke doel. Als de dag van gisteren herinner ik me mijn eerste actie. Nog niet ingeburgerd en geïntegreerd in de nieuwe samenleving kon ik eenvoudigweg mijn cultuur van herkomst niet verloochenen. Met rechte Rotterdamse rug naderde ik mijn buigende tegenstanders, de bal tussen ons, haalde uit en raakte behalve de bal de al sterk gebogen jonge Hagenees, die met een korte val ter aarde stortte.
De gruwelijke afloop zal ik u besparen, maar duidelijk zal zijn dat mijn ultrakorte hockeycarrière hiermee meteen ten einde liep.

Ik kon mij nu gaan uitleven in zitvoetbal, de belangrijkste binnensport bij onze gymles. Ook typisch Haags geloof ik. Hier glorieerde ik. Hier kon ik mijn tactische inzichten met mijn verfijnde techniek uiten door splijtende passes en strakke schoten tegen een liggende gymbank, dat heerlijk brede doel van de tegenstander dat ik vaak en gelukzalig trof. Ware dit een Olympische sport geweest, dan had ik het ver geschopt.
En dan was er nog honkbal. Aan slag gaf ik hem ook aardig van jetje, de achtervanger had niet voor niets zo’n muilkorf aan, die hield zich dus wel gedeisd als ik de knuppel hanteerde. Wanneer mijn ploeg niet aan slag was, nam ik steevast (en vergaand immobiel) de positie in van ‘verre velder’. Een enkele keer kwam een vergeslagen bal wel eens mijn kant uit, maar ik leerde al snel het spel te spelen van de goedwillende die deze bal echt niet meer kan halen.
Dat spel speel ik nog steeds, met overtuiging, hoewel een enkeling het wel doorziet. Sommigen herkennen mij meteen in die rol. Ik ben die rol.

Soms droom ik nog van die ene hockeyklap. Daarin verschijnt me een oude Hagenees, met een litteken boven het oog. ‘Waarom?’, vraagt zijn blik.
Mijn hockeycarrière was kort, krachtig en dramatisch, maar ook te abrupt afgebroken. Daarom dan ook nog niet af. Het moment lijkt aangebroken een waardig, waarachtig en waar afscheid te nemen van mijn hockeybestaan. Met knotshockey.
‘Knotshockey is een vorm van hockey waarbij er alles aan wordt gedaan om ongeschonden de wedstrijd door te komen: de hockeystick (knots) is licht en de bal zacht.’
Ongeschonden, niet alleen ik zelf (qua lijf en geweten), maar ook mijn tegenstander, al of niet gebogen over die zachte bal.
Wie weet word ik wel knotsknetterhockeygek en maak ik, na bijna een halve eeuw, een doorstart in deze zo wonderlijke sport.

Kampong-tenue, verkrijgbaar in Utrecht.

‘Informatie over PLUS-sport in Utrecht is via de e-mail verkrijgbaar bij 
Manager.hockey@kampong.nl .’ Kampong, daar heb ik wel eens van gehoord. Iets koloniaals, met veel buigingen, chique maar toch netjes.
Een Apeldoornse koorgenoot en mede(soms contra-)bas zal ik wijzen op hockeyclub Ares in zijn woonplaats. ‘De gemiddelde leeftijd bij Ares is 74 jaar.’
Hij zal er zich eeuwig jong voelen, met lichte knots.